REISVERSLAG: Hoeveel kilometer kun je treinen in 24 uur?

Het meisje op de piano had niet in de gaten dat zich achter haar een bescheiden haag van toeschouwers had gevormd. Ze zong met een krachtige, diepe stem, terwijl de klanken van de piano over het perron reisden. Het liedje was Engelstalig, haar accent was vlekkeloos, de uitvoering virtuoos. Ik stond gefixeerd te luisteren. En toen het voorbij was, kon ik alleen maar concluderen wat een geweldige toevoeging de stationspiano’s aan het spoorwegnet zijn.

Die piano’s bevinden zich op steeds meer stations, en ik had vanavond geluisterd naar het Groningse exemplaar. Het liep tegen elven, mijn trein naar Sauwerd zou binnen een halfuurtje vertrekken. Want de trein terug naar Groningen vertrok om 00:01 uur – het perfecte tijdstip om te beginnen aan een gekke uitdaging: hoeveel kilometer kun je op het Nederlandse spoornetwerk afleggen binnen 24 uur?

Ik had heel wat uren besteed aan de planning. Een treinreis van 24 uur binnen Nederland bestaat natuurlijk uit een flinke collectie kleine treinreisjes, en vooral de nacht bleek een creatief probleem te zijn: de enige nachttrein die NS na enige commerciële overwegingen nog heeft is die tussen Utrecht, Amsterdam en Rotterdam. En dan had je nog te maken met de regels: elk traject mocht slechts één keer per richting worden gereden. Ik kwam er al snel achter dat er nog een late trein vertrok uit Groningen, om 00:26, en die zou om 02:38 aankomen in Amsterdam. Kijk, op die manier penetreerden we al meteen diep de nacht in.

Maar ik begon mijn reis dus in Sauwerd. En toen ik daar rond halftwaalf uit de Arriva-trein stapte en de geur van koeienstallen opsnoof, was ik overtuigd van een origineel beginstation. Het dorp ligt letterlijk tussen de weilanden waar het spoor zich doorheen baande. Maar nee, niks originaliteit: net toen ik een selfie maakte om via de speciale app als bewijs in te sturen, kwam er een andere jongen met een geel wedstrijdshirt aan het perron opgelopen. Sam bleek er voor de nacht hetzelfde idee op na te houden als ik, maar veel meer deelden we natuurlijk niet met elkaar – de planning bleef geheim. We waren immers ‘tegenstanders,’ maar dan wel gezellige tegenstanders. Dat we uiteindelijk tien uur lang dezelfde treinen namen, konden we dan ook niet bevroeden.

Met het Spurt-treintje van Arriva reden we stipt om 00:01 weg uit Sauwerd. Al snel ging de telefoon van Sam. Hij nam op.

“Het was een goed station,” antwoordde hij op de vraag waarom hij uitgerekend daar was begonnen. “Ja, we zijn met z’n tweeën.”

Toen hij had opgehangen, vroeg ik: “Was dat een journalist?”

“Nee.” En hij lachte trots. “Dat was Hildebrand. Hij had me vanmiddag ook al drie keer gebeld. Hij heeft m’n telefoonnummer.”

“Ja, dat blijkt wel,” zei ik.

Hildebrand van Kuieren, de grote man achter Treinreiziger.nl, was de organisator van deze wedstrijd.

Terug op station Groningen, stapten we, na het nemen van weer een selfie (en dat zou nog vele malen zo doorgaan) als bewijsmateriaal, op de trein van 00:26. Al bij de eerste halte bleek dat ik een klein foutje had gemaakt op de scorekaart: toen ik mijn planning maakte, gebruikte ik een oude spoorkaart, waarop Groningen Europapark apart leek te liggen, op het traject naar Bad Nieuweschans. Maar niets was minder waar: deze trein deed ook dat station aan, en zo kon ik alvast vijf kilometer extra bijschrijven op m’n uiteindelijke, definitieve scorekaart. Er zaten nog enkele mede-contestanten in de eerste klas-coupé, waar we een dagkaart voor hadden.

In Assen stapten er drie jongens in die de eerste klascoupé begonnen te doorzoeken: één van hen had een lege telefoon. Ik wees op het stopcontact tussen de stoelen achter me.

“Maar ik heb geen eerste klaskaartje, hè,” zei de jongen.

Ik snapte wat hij bedoelde: hij wilde z’n telefoon niet alleen achterlaten. Geen nood. Ik haalde mijn powerbank uit m’n rugzak – waar wel vier stekkers in kunnen – en sloot zijn telefoon aan.

Hij lachte naar z’n vrienden. “Ik heb gewoon een verlengsnoer gefixt!”

Zoiets.

Ondertussen zat Sam schuin tegenover me, aan de andere kant van het gangpad, met een thermoskan koffie. Daarna kwam er een zakje olijven tevoorschijn en een bakje rode vruchten, maar ik kon niet zien wat het was. Hij zat gemoedelijk te eten met z’n koptelefoon op. En dat is nou net het ding met deze wedstrijd: het is eindelijk iets waarbij je eer kunt halen met een hele dag op je gat zitten.

De drie jongens wezen de conducteur, die nu voor een tweede keer voorbij liep, op een dronken passagier die lag te slapen en had overgegeven. Ik had hem in Groningen al geluiden horen maken die me in de verte deden denken aan een handeling in een wat minder professionele slachterij. Daarna werd hij stil… Nu wist ik waarom – de jongens probeerden hem wakker te maken, maar zonder resultaat.

“Een andere coupé ligt ook helemaal onder het braaksel,” zei de conducteur. “In Zwolle komt er een schoonmaakploeg.”

Dat was goed nieuws, want nu wist ik ook wat die ietwat penetrante geur was die steeds m’n neusgaten penetreerde als de deur tussen de eerste en de twee klas open en dicht zwaaide. Maar ik dacht ook: vertraging! En ik heb maar zeven minuten overstaptijd op Amsterdam Centraal…

Het ging bijna fout. We arriveerden met elf minuten vertraging in Zwolle, waarop dit door de kuisploeg (alsof die beste jongens er iets aan konden doen) werd verlengd tot vijftien minuten. Het was ook in Zwolle waar opeens een peloton gele shirts de trein binnen denderde. En hoe moet je de mede-contestanten omschrijven? Treinliefhebbers. NS-medewerkers. Railcateraars, hoorde ik later. Enkele jongens waren niet te stuiten en spraken een miljoen woorden per minuut. Vooral een blonde, brildragende jongen kon er wat van: zijn motormond stond werkelijk geen seconde stil tijdens deze reis naar Amsterdam. Anderen sloten zich bij deze gangmaker aan; ik trok me terug in een boek van Bill Bryson.

Maar de leespoging bleek vruchteloos en ik stopte het boek maar weer weg. De blonde jongen trok zich de vertraging heel erg aan. “En we zijn al vertraagd! Sjonge, jonge! En moet je kijken! Hij rijdt tegen de 136 kilometer per uur aan! Op dit baanvak mag hij 160!”

“Deze treinen gaan niet harder dan 140,” zei een ander.

“Ooh! Dat is nog steeds sneller dan 140! Op mijn app kan ik de snelheid bijhouden: hij blijft tegen de 136 klokken! Wat een sukkel! Man, we hebben vertraging! Volgens mij doet-ie op Lelystad een stop-and-go.” En toen op Lelystad inderdaad binnen twintig seconde de fluit klonk, was het: “Zei ik toch! Stop-and-go!” En op Almere-Buiten, toen de trein langzamer begon te rijden: “Doet-ie nou een personeelsstop? Dat kan toch niet. We zijn al vertraagd! Sjonge, jonge! Ga dan met de auto!”

“Ja, ga lekker met de auto naar je werk,” vulde een andere deelnemer, die, zoals wij allemaal, de vertraging zag toenemen, aan. “Nu moet-ie afremmen op Almere Buiten, weer optrekken, en zo meteen stopt-ie weer op Almere Centrum.”

“En als-ie bij Weesp moet wisselen naar het IC-spoor,” zei de motormond, “dan moet-ie daar ook weer afremmen, duurt het nog langer! En dan zal je ook nog net zien dat de brug open staat.”

En zo ging het nog even door.

Maar de conducteur regelde voor het luidruchtige zootje – tot onze grote, gróte dank – dat de trein van het nachtnet even op ons wachtte op Amsterdam Centraal. En zo sprintte er opeens een geel leger aan kilometervreters van spoor acht naar spoor twee. Met succes: we haalden de wachtende trein. Omdat er geen andere trein reed dan de nachttrein op het traject naar Rotterdam (wegens werkzaamheden via Haarlem, wat – heel vervelend – neerkwam op extra kilometers), was het in de eerste klascoupé één zee van gele shirts. En op Rotterdam Centraal renden we over de fly-over, regelrecht naar het naastgelegen spoor voor de trein terug naar Amsterdam Centraal, en door naar Utrecht Centraal.

En daar begon eindelijk het opbreken van de massa. Je had mensen die liever langer wachtten op de eerstvolgende intercity (“We moeten hier drieënveertig minuten wachten!”) en je had diegenen die simpelweg op de eerstvolgende trein stapten: de sprinter van 06:12 naar – tja… – Rotterdam Centraal. Maar omdat veel treinen rond zeven uur weer begonnen te rijden, zou er daarna, en verder, een verdere opsplitsing plaatsvinden.

Ik zat nabij een man waarvan ik zeker wist dat die zou gaan winnen: 1893,2 kilometer had hij op de planning staan. En dat stond in schril contrast tot een vader die zich op het laatste moment met zijn 12-jarige had aangemeld zoon en net boven de 1300 kilometer uit zou komen. Maar dat was nou net het ding: een kleine kink in de kabel kon een hoop bederven, en zomaar een heel andere winnaar opleveren.

Door alle energie in de nachttrein had ik geen oog dicht gedaan en zo kwam het dat ik van de treinreis naar Eindhoven, tussen 07:13 en 08:13, waarlijk niks merkte. Behalve dan de conducteur die me wakker maakte en zich een uitleg verschafte wat al dat geels – we waren inmiddels nog met zeven man – moest voorstellen, heb ik als een blok geslapen.

“Ik heb weinig van deze reis gemerkt,” merkte ik terloops op.

“Ja,” zei de vader later op het perron van Eindhoven, “wat lag jij erbij, zeg!”

Zo’n uurtje diepe slaap en een goede kop koffie (verkocht door een meisje in de stationshal die aan haar gezicht te zien er zelf ook best eentje kon gebruiken) deed wonderen. Toen we – inmiddels met vier deelnemers, die niet eens meer bij elkaar zaten – aan boord van de trein naar Maastricht de Maas over reden bij Roermond en ik die stad eens bekeek, realiseerde ik me voor het eerst dat ik tot dusverre niet eens acht had geslagen op de steden waar ik was geweest – Groningen, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht. Geen van die steden waren meer geweest dan de stationshal. Nu ik min of meer alleen was en niet langer in gesprek en niet langer omringd was door duisternis, begon deze wedstrijd opeens wel heel relaxt aan te voelen.

In het dagblad Metro staan elke dag twee pagina’s in het teken van #treinleven. Maar gaandeweg de ochtend begon het tot me door te dringen wat het treinleven inhoudt als je een complete dag in zo’n trein doorbrengt. Je eet en drinkt aan boord, je slaapt in een stoel, je privacy staat op een laag pitje, je gaat naar het toilet – inclusief (het moet gezegd) voor een sluitspiergymnastiekoefening – en je moet rekening houden met medepassagiers. Ik heb een broertje dood aan herrieschoppers en zelfs nu ik deze tekst schrijf, doe ik dat extra stil.

Enzo, de 12-jarige treinfanaat die zijn vader zo gek had gekregen om vierentwintig uur in een fraaie collectie treinen te gaan zitten, sliep bij aankomst in Maastricht als een blok. De jongen deed me met zijn halflange, blonde haren denken aan het portret van de Hollandse prins Willem II, zoals die op 14-jarige leeftijd staat afgebeeld op diens huwelijksportret met de 9-jarige Engelse prinses Mary Stuart, geschilderd door Anthony van Dyck in 1641.

“Enzo!” riep de vader. En hij porde aan het joch.

De wedstrijd had diverse landelijke media gehaald. Vader en zoon hadden een interview gegeven aan een krant en ik las op de live blog van Treinreiziger.nl, de nieuwssite achter de wedstrijd, dat 3FM één van de deelnemers had gesproken. In één zo’n interview met een deelnemer, gepubliceerd in het Noordhollands Dagblad, had de onthulling gestaan dat hij ruim 1900 kilometer op de planning had staan. Dit had bij mij een dag van tevoren geleid tot het in elkaar knutselen van vele alternatieven – ik werd gaandeweg de dag steeds chagrijniger – en een deelnemer die ik even sprak tijdens een langere stop van de nachttrein op station Leiden had een schema dat slechts voor de helft klaar was:  hij had daadwerkelijk afscheid genomen van zijn oorspronkelijke plan in een poging één en ander nog te redden.

De trein kwam in Maastricht tot stilstand; Enzo ontwaakte; ik zag mijn volgende trein staan en beende al de coupé uit.

“Nou, tot de volgende keer,” zei ik.

“Ja,” lachte de vader, “ongetwijfeld.”

In Maastricht, waar ik een half uur moest wachten op de trein terug naar Eindhoven (zo’n ritje van 63 minuten leverde toch maar mooi weer 100km op), sprong ik snel op de trein naar Maastricht Randwyck (uitgesproken als Randwiek), zodat dit razendsnelle retourtje weer 3,2km opleverde. Een andere deelnemer, die een planning voor 1893km bij elkaar had weten te knutselen, had me bekritiseert vanwege mijn plan om naar Maastricht te gaan – dat halfuurtje wachttijd kon efficiënter worden gebruikt als ik zou overstappen in Sittard en veel sneller weer op rit zou zijn. (Zulke zijwegen heb ik geprobeerd in te lassen in m’n schema, maar ze leverden – mij in ieder geval – niks op. Eén en ander had te maken met het feit dat het beginstation, zodra dat aan de organisatie was doorgegeven, niet meer kon worden gewijzigd, zodat het hele schema daarop moest worden gebaseerd; en bovendien had Sauwerd zo z’n charme.)

Op Maastricht Randwyck maakte ik het verplichte selfie, verstuurde het met de app en stapte weer in dezelfde trein om terug te keren naar Maastricht. Aldaar zat Sam voor me, waarmee ik op Sauwerd was opgestapt, maar hij stapte in Roermond uit. Ook vader en zoon zag ik niet meer. En daarmee was ik officieel even de enige deelnemer aan boord van deze trein – de eerste keer die dag.

Het Eindhovense perron waar weldra de volgende trein – terug naar Rotterdam Centraal – aan zou verschijnen stond tjokvol passagiers. Ik vroeg me af waar die plotseling zo vandaan kwamen. Gelukkig verscheen er een lange trein – van het type Intercity Direct – en waren er in de eerste klas volop plaatsen vrij. Dat was zonder meer een voordeel van het dagkaartje dat we voor de wedstrijd hadden ontvangen: we zaten altijd comfortabel.

De gele shirts riepen bij diverse andere reizigers vragen op. “Wat is dit voor een evenement?” vroeg menigeen, of iets in die trant. Daar vloeiden leuke gesprekken uit, iets wat erg on-Nederlands is en dus des te leuker. En helemaal toen we hijgend door de trein Rotterdam Centraal-Utrecht Centraal hadden gelopen kon je aan de gezichten van de mensen zien dat ze wisten dat we aan hetzelfde evenement deelnamen, maar dat we – nogal evident – niet bepaald tot een sportteam behoorden.

Op Utrecht Centraal stond de ‘stempelpost’. Hier werd de naam van de passerende deelnemer genoteerd, een foto van hem of haar gemaakt en kreeg hij een goodybag, waar een flesje water en een ontbijtkoek in zaten.

“Hoe voel je je?” vroeg de dame achter de tafel.

“Ik ben doodop,” zei ik.

Ongelogen. En daarom kon ik ook niet anders dan slapen in de volgende trein, die naar Den Bosch.

Intussen had ik een mailtje gekregen van een radiostation: of ik even kort in de uitzending wilde komen om het evenement toe te lichten. Door de onbetrouwbare ontvangst van Vodafone (nu weer wel bereik, dan weer even niet, enz.) werd het gesprek een halfuur uitgesteld. Maar om 14:40 uur, toen ik inmiddels alweer op station Arnhem stond, ging het dan toch door en werd de wijde omgeving van Raalte (het was RTV Raalte) op de hoogte gesteld van alle ins en outs van de Kilometer Kampioenschappen. Daarna viel ik weer in slaap, zodat ik in Zwolle in opgepoetste staat weer uit de trein stapte.

Ik nam het selfie voor het te verzamelen bewijsmateriaal en zag weer twee andere gele shirts de trein naderen. Gezellig! Dit waren Thom en Berend, twee broers van 15 en 17 (al dan niet respectievelijk) die aan het broertje van Kilometer Kampioen meededen: de Stationskampioen – doe zoveel mogelijk stations binnen 12 uur aan. Voor hun leeftijd waren het twee interessante knapen. Ze hadden tien jaar in Japan gewoond, spraken derhalve vloeiend Japans en Amerikaans Engels, omdat ze – buiten ook nog eens een jaar in Michigan te hebben gewoond – naar een Amerikaanse school waren geweest. Ik was even onder de indruk dat de Stationskampioen de softere variant was van de Kilometer Kampioen: ze hoefden immers niet binnen 24 uur zoveel kilometers te maken, maar binnen 12 uur zoveel mogelijk stations aan doen. Maar dat impliceerde niet, zo bleek al heel snel, dat ze konden plaatsnemen in een stoptrein die op elk station stopte. Integendeel: ze sprongen bij elk station uit de trein, renden naar het stationsbord, namen er een foto van en sprongen weer naar binnen.

“Iedereen van NS werkt mee,” zei de oudste. “We zijn met conducteurs op de foto gegaan en iedereen was heel positief, maar er was één machinist die zei dat we moesten ophouden met dat geklier. Dus toen legden we hem uit wat we aan het doen waren, en toen zei hij dat we onze grote mond moest houden of anders zou hij ons uit de trein zetten!”

De jongens waren nog steeds verontwaardigd.

Ik vroeg: “Maar waarom deed hij zo?”

“Hij vond dat we hem vertraagden.”

“Ik zou het in ieder geval wel even melden bij de organisatie,” zei ik.

“Bij NS,” zei de oudste.

De jongste zat al op zijn smartphone. “Ik dien een aanklacht in.” En na wat getyp was hij klaar. “Zo. Gedaan.”

De oudste vervolgde: “Hij begon meteen al zo, want wij gingen in de eerste klas zitten en hij vond het blijkbaar raar dat zulke jonge jongens eerste klas reizen. Dus zei hij, zonder om het kaartje te vragen, dat we naar de tweede klas moesten. Maar ik zei: ‘Uhm, wij hébben kaartjes voor de eerste klas.’”

Bij alle stations tussen Zwolle en Zutphen sprongen ze op, renden naar buiten en net als je dacht dat de weer optrekkende trein hen had achtergelaten, ploften ze weer neer in de stoelen tegenover me. In Zutphen stapten ze op een stoptrein en reed ik verder richting Den Bosch.

En zo kwam er nog een rit terug naar Utrecht Centraal, toen naar Hengelo, naar Hilversum en een korte rit terug naar Amersfoort, om aldaar mijn laatste trein (die van 22:35 uur) te pakken – naar Heerenveen, waar ik om 23:59 hoopte aan te komen. In de trein uit Hilversum overdacht ik nog eens dit rare fenomeen: de Kilometer Kampioen. Ik had de nacht goeddeels doorgehaald, overdag her en der een beetje geslapen, maar geestelijk was ik voornamelijk aan het dagdromen was geweest. Het was een grauwe dag geweest en heel Nederland – van Groningen tot Maastricht – had er min of meer hetzelfde uit gezien. Ik ging van trein naar trein zonder op de wereld om me heen te letten. Mijn geestelijke staat was vaak wazig; en juist dat gedagdroom hielp me door dit 24-uur-treinen-festijn. Vaak zat ik alleen in de trein, en dan zat ik daar maar – in contente staat, te dagdromen, te staren, een beetje te schrijven. Maar er was totaal geen competitiedrang. Je hebt – ondanks een live blog en een constante Twitter-feed – geen idee waar de anderen zijn, hoeveel kilometers zij hebben afgelegd. Immers, degenen uit de feed en blog zijn er slechts enkelen.

Zou het hebben geholpen als ik had opgetrokken met een fanatiekeling, of als er een openbare, vergelijkende kilometerteller actief was? Dat laatste is wellicht bijna onmogelijk, maar toch, als stimulerend element? En hoe zat het met die andere vraag: had ik van alle mogelijkheden (110 deelnemers betekende vele tientallen verschillende reisschema’s) wel de juiste benut? Had het, ondanks dat ik vier keer terug ben gegaan naar de spreekwoordelijke tekentafel, niet beter gekund, verder, langer, efficiënter? Er is maar één manier om daarachter te komen.

In de trein kwam ik nog drie jongens tegen. Eén van hen was een stille man, die, toen ik hem later alleen over het perron van Zwolle zag lopen, duidelijk zijn eigen plan trok. De andere twee jongens zouden pas tussen twee en drie uur thuis zijn. En toen trok de trein op uit Zwolle, en ik was de enige in de eerste klas. Geen gele shirts meer om me heen. The finish would be mine, and mine alone, to enjoy.

*** De uiteindelijke winnaar eindigde met 1979 kilometer.
Ik eindigde met een bescheiden 1743,7. ***

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s