In Polen #1: De 13:12 naar Olsztyn

Het is een wijsheid die in zo’n beetje alle moderne reisboeken (althans, de boeken die ik lees) op één of andere manier wordt aangehaald: ga zo licht mogelijk op reis. In de 19de eeuw trok de schrijver van het reisverhaal nog weleens met een complete karavaan aan dragers, kamelen, gidsen, dienders en bewakers door de woestijn, op weg naar het einde van de kaart, onderzoekend, noterend, om het lezerspubliek te trakteren op onverschrokken avontuur en sappige beschrijvingen van rare mensen die leefden achter de horizon. Zulke ontdekkingsreizigers bevinden zich tegenwoordig in het heelal of diep onder de waterspiegel, maar op het land wordt het verhaal van de reiziger vrijwel alleen nog maar opgetekend door de reisschrijver die zich laat leiden door een bepaald avontuurlijk idee – op de motor van Prudhoe Bay naar Ushuaia (Man in het zadel, Paul van Hooff), over land van Cairo naar Kaapstad (Dark Star Safari, Paul Theroux) of op de fiets van Ierland naar India (Full tilt, Dervla Murphy) – en daar verslag van doet in dat moderne reisboek, waarin het avontuurlijke aspect samenhangt met de afwezigheid van anderen – one man against the world. En dan is het inderdaad maar beter om zo licht mogelijk op pad te gaan. En niet alleen het gewicht is belangrijk, maar ook waar de reiziger dat in vervoert. Een koffer maakt hem immers tot een zeulende pakezel, een gemakkelijke prooi of het equivalent van de eenarmige bandiet, de Saguaro-cactus; een rugzak houdt hem lokaal, mobiel, wendbaar, met beide handen vrij om andere dingen mee te doen – de kaart lezen, geld uit de portemonnee halen, notities maken.

Maar mijn toch al compacte rugzak van 65 liter moest dit keer thuisblijven; een laptoprugzak – formaat schooltas – was wel acceptabel. Dit had alles te maken met de voorwaarden van het lachwekkend goedkope ticket dat ik had gescoord bij WizzAir, een zogenaamde low-cost airline – franjeloos, korte keertijden, elke extra service tegen bijbetaling. Maar extra betalen voor meer bagagerechten was geen optie. Juist door niks anders bij me te dragen dan een kleine rugzak zou ik als toerist niet opvallen tussen de andere passagiers op de lokale treintjes die ik wilde nemen en maakte ik gemakkelijker contact.

Een andere manier om dat laatste te bewerkstelligen was door technologievrij te reizen. Ik had sowieso geen smartphone, maar op mijn vorige reis had ik nog wel een laptop bij me. Die bleef nu ook thuis: mijn ogen mochten niet op een virtuele wereld gericht zijn, maar alleen op de echte wereld, op de mensen om me heen, op het landschap aan de andere zijde van het treinraam; als een schim zou ik tussen de passagiers zitten, notitieboekje in de hand, loerend naar het noteerwaardige. En zonder de richtingaanwijzingen van Google Maps of de real-time updates van de app of website van de lokale spoorwegen had je ook nog het perfecte excuus om iemand aan te schieten met een vraag. Door de verbinding met de virtuele wereld te verbreken is de bezoeker gedwongen zich te verbinden met de echte wereld. Het enige probleem was eigenlijk dat ieder ander wél zijn neus in zijn smartphone parkeerde – wegkijkend, ontwijkend, het maatschappelijke proces van individualisering verder doorvoerend – en de observatie dat ook in andere landen apparaatschermen inmiddels het raam hadden vervangen een kinderlijk niveau kreeg.

Maar wat doe ik nu eigenlijk moeilijk, alsof het mijn intentie was om een winterse trektocht door Siberië te maken met een laptoprugzak zonder laptop of smartphone? Nee, dat voornemen bewaarde ik wel voor een reis door Rusland. Het idee voor deze trip was een stuk minder avontuurlijk. Ik zou met WizzAir naar Gdańsk, in het noorden van Polen, vliegen en per trein naar Katowice, in het zuiden, reizen. Onderweg wilde ik geen last hebben van bagage of elektronische afleiding. Ik wilde contact maken met Polen en haar inwoners.

Ik wilde er al een tijdje naar toe – het land heeft iets mysterieus. Het ligt dichterbij Nederland, waar ik mij bevond, dan bijvoorbeeld Spanje, maar het is voor velen een veel minder logische bestemming. “Polen?!” hoorde ik meer dan eens. De Poolse landsgrenzen zijn de afgelopen decennia immers vaker overgestoken door buitenlandse legers dan nieuwsgierige bezoekers. Terwijl West-Europa in de wereld werd gezien als het baken van Europese cultuur, wetenschap en civilisatie, waren de landen in het communistische oosten verworden tot ondergeschoven zorgenkindjes vol armoede, verval en afhankelijkheid. Het kenteren van zo’n reputatie is een kwestie van jaren, ook al heeft de veerkracht van mensen veel minder tijd nodig, maar wat voorwaar niet hielp was de exodus van honderdduizenden Oost-Europeanen, op zoek naar een beter leven in het welvarende westen des continents, die onbewust ambassadeurs van hun land werden, zoals elke reiziger in den vreemde dat is. Een uitspraak als ‘Greet heeft een stel Polen naast d’r gekregen’ impliceerde herrie, wodka, twintig man in één rijtjeshuis, tondeuzekoppen. Maar wantoestanden ontstaan wanneer mensen ontheemd en eenzaam zijn, onder financiële druk het buitenlandse bloemkolenveld betreden, hun overige heil zoeken bij landgenoten en soms, inderdaad, de fles. Juist wanneer vooroordelen regeren, is het goed om zelf de waarheid te aanschouwen.

 

* * *

 

Het was op Eindhoven Airport, waar ik m’n vertrek afwachtte in het hysterische gezelschap van de promotionele soundtracks van videospellen (die automaten waar je een ouderwets muntje in gooit en dan kunt schieten of autoracen), evengoed, op een eigenaardige manier, rustig in de eetzaal. Maar misschien sloot ik me onbewust wel af voor de buitenwereld. Ik zat er met een hoofd vol watten – ik had tot 23:00 uur de vorige avond gewerkt, was om 0:30 uur thuis, viel naar de huidige instelling van m’n biologische klok om 2:30 uur in slaap, en stond om 5:00 uur alweer naast m’n bed. Het was 9:35 uur; m’n hart bonkte op koffie. Achter de natte ramen van het panoramaterras (pardon: panorama terrace – alles op Eindhoven Airport, dat immers draait op low-cost airlines, staat louter in het Engels aangegeven), draaide het WizzAir-toestel naar Budapest vanaf het platform de baan op. Ik keek er met half gesloten ogen naar. Over twee uur zou ikzelf in het toestel zitten; tot die tijd was het m’n missie om wakker te blijven.

Maar tijdens de vlucht zweefde ik tussen lichte en diepe slaap, mezelf zo af en toe betrappend op gesnurk, totdat de daling werd ingezet en een witte wereld, een kouder land, zich aandiende. Het opwindende gevoel van een nieuwe bestemming, het begin van een nieuwe trip, maakte me helemaal wakker, hoewel het hypermoderne Gdańsk Airport zo logisch in elkaar stak dat zelfs een slaapwandelaar zijn weg naar het treinstation had kunnen vinden. Een ander pluspunt was dat de tekst op alle informatieborden eerst in het Pools stond aangegeven, daaronder, in kleinere belettering, hetzelfde in het Engels – buitenlanders waren welkom, maar ze waren wel in Polen.

Ik nam het dieseltreintje van 13:46 uur naar Gdańsk Wreszcz (ik las voor het gemak alleen het eerste woord voordat ik snel instapte) en zette m’n rugzakje naast me neer. Het treintje zette zich in beweging en bracht ons door het gedeeltelijk bebouwde bosgebied tussen het vliegveld en de stad.

Dziękuję,” hoorde ik een vrouw achter me zeggen. Dit woord kon ik me nog herinneren van tien jaar eerder, toen ik in Italië op een camping werkte en een Poolse collega had. En weer klonk het woord: “Dziękuję.” Iemand die met zo’n regelmaat een ander bedankte aan boord van een trein, kon natuurlijk maar één persoon zijn. Ik wachtte haar komst af en gaf toen mijn kaartje aan de conductrice.

Dziękuję,” zei ze.

Ze zette met haar pen een krul over het kaartje en gaf het weer terug.

Dziękuję,” zei ik.

Ik keek naar buiten – bos, weiden, huizen, veel onderhoud en schoonmakers. Ik zat bijna voorin. Op de cabinedeur, waarachter ik de machinist druk hoorde converseren via de radio toen we even stilstonden op een brug over een tweebaansweg, stond in het Pools en Engels: ‘Deur buiten gebruik. Gebruik een andere deur.’ Dat deed ik dan maar op Gdańsk Wreszcz, maar een hoofdstation, zo leerde ik op Wreszcz al heel snel, heet in het Pools Glówny, en dus moest ik eigenlijk naar Gdańsk Glówny, een paar haltes verderop.

Tegen de tijd dat ik had ingecheckt bij het Scandic Hotel tegenover het station, m’n laptoptas in de kamer had gedeponeerd en een late lunch had genuttigd bij McDonald’s, trok er een langzaam invallende duisternis over de stad. Het was bijna halfvier ’s middags; een teken dat ik me aan de oostzijde van de Centraal Europese Tijdzone bevond. Ik begreep nu waarom Finland, dat direct naar het noorden lag, in de volgende tijdszone was ingedeeld: daar was het nu halfvijf, wat qua tijd van het jaar (begin december) en deze duisternis een stuk logischer voelde dan halfvier. Een korte middag, dus – om vier uur was het al compleet donker. Daar stond logischerwijs tegenover dat het ook vroeger dag werd, en deze reis derhalve geen uitslaapvakantie.

De vrieskou, de mensen in hun winterkleding en de gele straatverlichting in een decor van gebouwen met een historisch uiterlijk gaven Gdańsk een gezellige, Dickens-achtige kerstsfeer. Inderdaad, uiterlijk: veel pakhuizen zagen er met hun gekrulde dakgevels haast net zo uit als Amsterdamse grachtenpanden, maar de loodrechte muren verraadden dat ze na de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd omdat negentig procent van de stad in puin lag. Het was vaak niet eens de originele architectuur, maar eerder een poging tot het herscheppen van een oude havenstad – net zoals Bataviastad in Lelystad een beetje Disney-achtig, maar niettemin een zeer geslaagde poging. Wat hieraan bijdroeg was het feit dat veel gebouwen – kerken, poorten, paleizen – wél accuraat waren herbouwd. Dit was ook het geval met de Kraan: een bouwwerk uit 1442-1444 dat tegenwoordig het beroemdste icoon van de stad is.

Er waren veel toeristen op de been, vooral veel Scandinaviërs die met de boot van Polferries uit Zweden of op één van de goedkope vluchten uit Noorwegen, Zweden of Denemarken waren gekomen. Buiten een restaurant stond zelfs een bordje: ‘Meny på Norsk’ – een Noorse menukaart. En het Engels, met Noord-Amerikaans accent, hoorde ik overal om me heen. Het was het einde van de middag en de Polen zelf waren onderweg van werk of school naar huis. Ik liep door de autovrije Mariackastraat, waar bijna alle gebouwen een stenen toegangstrap voor de deur hadden, winkels bevatten en voor de trappetjes hun zilverwaren uitstalden in glazen vitrines. Aan het einde ervan was een poort, waarachter water glinsterde.

En aan het water, toen ik naar links keek, stond daar de Kraan. Het was het enige dat ik van Gdańsk kende voordat ik deze reis begon te plannen, omdat het summier wordt genoemd in het boek Het nieuwe Europa van Michael Palin. Palin schrijft daarin dat de ‘oorspronkelijke houten cabine en het mechaniek nog grotendeels intact zijn’. Dit is niet zo. Volgens informatie over de Gdańsk Kraan op de website van het Poolse Nationaal Maritiem Museum – en zij kunnen het weten, want zij beheren het gevaarte – was het houtwerk juist compleet door brand verwoest in de oorlog en vanaf 1956 weer herbouwd. Hoe dan ook, het aanzicht van de Kraan is blijvend indrukwekkend. Het steekt boven de twee bakstenen verdedigingstorens, waar hij als het ware tussenin hangt, uit en vormt daardoor een toegangspoort tot de stad. Twee enorme tredmolens gaven de kraan een hijsvermogen van maar liefst tweeduizend kilo. Ik wilde naar binnen, maar het museum was al gesloten sinds drie uur vanmiddag. Ik maakte een paar foto’s en liep evengoed voldaan terug naar de binnenstad.

 

* * *

 

“En dan,” zei een dronken vent met een baard ongevraagd tegen een jong, volslagen ongeïnteresseerd stelletje dat niet ver van me vandaan aan de hotelbar zat, “ben je plotseling alleen en is er niemand meer over in je leven. Alleen…” Hij keek naar de bardame. “Eén biertje, graag.”

“Meneer,” zei de blonde bardame resoluut, “ik zei al eerder tegen u dat ik u niks meer te drinken geef. Het spijt me voor u, maar u krijgt geen druppel meer.”

“Het zou je moeten spijten voor jezelf.”

“Nee, het spijt me voor u. Ik schenk niks meer in. Ik doe het niet.”

Ik werkte aan m’n notities. Het jonge stelletje verkoos een andere plek, de zuiplap droop af.

“Kunt u betalen?” vroeg de bardame op bitse toon. Het was elf uur, sluitingstijd.

“Mag ik dan wel m’n bier opdrinken?” vroeg ik verstoord.

Dat mocht. Daarna ging ik naar m’n hotelkamer.

Er klonk dreunende techno-muziek, alsof er buiten een auto stilstond met grote, ingebouwde speakers. Ik ging op bed liggen met het idee van een stel jongeren in een opgevoerd Volkswagentje die weldra weer zouden doorsjezen en sloot m’n ogen. Ik was een lichte slaper die zijn acht uren ongestoord moest kunnen vol maken om normaal te functioneren, maar na de korte nacht en het geslenter door de sfeervolle binnenstad viel ik prompt in slaap.

Rond kwart voor drie in de nacht schreeuwde één of andere idioot iets naar een vriend, juist toen hij langs mijn hotelkamer door de gang liep. Ik schrok wakker. Het gepraat van de jongens verstomde, maar het gedreun klonk nog steeds. Geen stilstaande auto, dus; het leek er eerder op dat er, behalve het hotel, ook een discotheek in het pand zat, want het was de elektronische muziek van een dj – deze herrie had niet bepaald het harmonieuze samenspel van een strijkorkest. Af en toe schreeuwde de dj iets opzwepends door de microfoon. In mijn chagrijnige staat liep ik warm voor het gebruik van een raketwerper genaamd De Stiltemaker, maar de nieuwsgierigheid nam de overhand.

“Nee, het is geen discotheek,” zei de nachtreceptioniste, “maar één van onze zalen die is afgehuurd voor een besloten feest.”

Ik liet dit even op me inwerken: de hotelmanager had een zaal verhuurd voor een groots dansfeest met een dj, pal onder de kamers van zijn of haar eigen gasten. Dat mocht best opmerkelijk genoemd worden.

“Hoelang duurt dat nog?”

“Tot vier uur.”

 “Ik dreun m’n bed uit,” overdreef ik een klein beetje.

“Wilt u een andere kamer?”

“Nee, ik moet om vijf uur toch weer op,” zei ik.

En m’n buren waren ten minste stil. Elders, zo had ik gemerkt, zaten dronken jongeren. Ik nam een sigaret ter hand en liep naar buiten. Een mooie, blonde dame kwam achter me aan en stond stil toen ik op het toegangstrappetje de peuk opstak. Ze zei iets in het Pools.

Nie Polski,” zei ik. Geen Pools.

“Tweeduizend zloty,” zei ze in het Engels.

Ik schoot in de lach. Dat was bijna vijfhonderd euro voor een beurt. En haar gezicht verraadde al dat ze stiekem de uitkomst wist. Toch: je kunt altijd een balletje opgooien. Tijdens mijn werkzaamheden in de hotellerie kwam het regelmatig voor dat een meisje zich bij de receptie meldde met het bericht dat ze werd verwacht op een bepaalde kamer. We maakten dan een kopie van haar ID-kaart en begeleidden haar naar boven, waarop de hotelkamerdeur dicht viel en het fascinerende samenspel tussen man en vrouw – het verlangen naar aanraking, het dierlijke, het orgasme, de tederheid, het rollenbollen, het geklef, gehijg en gesis – werd gereduceerd tot een kille, zakelijke transactie. Uurtje-factuurtje. De verleidelijke blikken van de prostituees op de Wallen zag je nooit op de gezichten van de meisjes die zich aan de hotelbalie meldden. Maar het is big business, naar verluidt het oudste beroep ter wereld. En toen ik weer terug liep naar m’n hotelkamer (alleen, needless to say), werd er gefloten vanuit een hotelkamer waarvan de deur half open stond en een man verwachtingsvol op een stoel bij het venster zat. Even overwoog ik, voor het effect van een goede grap, naar binnen te stappen met de uitspraak: “Zo schat, dus jij had zin in het ruigere werk?”

 

* * *

 

Je kon je kont niet keren in Polen of er stond wel een bord met een Europees vlaggetje in de rechter bovenhoek – bij hypermoderne gebouwen, langs snelwegen, luchthavens en spoorwegstations, en verspreid door stadscentra. In een tijd van Brexit en anti-Europees sentiment leek het wel propaganda: de Europese Unie was hier, in de vorm van vele miljarden euro’s subsidie, alom aanwezig. Maar de borden maakten de bijdragers – de Europese belastingbetaler – niet bepaald wijzer, want ze waren allemaal in het Pools. Toch waren de investeringen zichtbaar. Zelfs elke boemel die ik zou nemen tijdens deze reis, was net zo nieuw als het Sprinter-materieel van de Nederlandse Spoorwegen. Dat was natuurlijk goed voor de Polen, maar stiekem vond ik het een beetje jammer. Ik had gehoopt op dampende treinen, oude locomotieven, morsige figuren die dienst deden als conducteur – het soort spoorwegmaatschappij waar treinfanaat Paul Theroux, de legendarische Amerikaanse reisschrijver, zich bij thuis voelt. Maar daarvoor was ik echt te laat; Europa was me voor geweest.

Er stond wel tegenover dat je nog steeds niet zomaar naar het station kon lopen in de hoop dat er elk halfuur een trein vertrekt. Tussen de kleinere plaatsen reden er vaak maar een paar treinen per dag. Toen ik er bij nader inzien voor opteerde om uit te slapen en de trein van 6 uur ’s ochtends zonder mij te laten vertrekken, bleek dat het volgende boemeltje naar Olsztyn pas om 13:12 uur vertrok.

Een gat van zeven uur; die trein was dermate vol dat ik moest staan tot Tczew. Veel bankjes waren, zoals tegenwoordig in vrijwel elke nieuwe en gemoderniseerde trein de norm schijnt te zijn, achter elkaar gesitueerd – tweezitters in plaats van vier zitplaatsen bij elkaar, metro-achtig en het toilet een soort overmaats transformatorhuisje dat de doorlopende open ruimte van de trein onderbrak.

De conducteur staarde ietwat onwetend naar m’n kaartje.

“Interrail,” zei ik.

Hij keek naar de datum die ik op het biljet had geschreven. “Okee.” En hij gaf het weer terug.

In Malbork, bekend om het grote kasteel, stroomde de trein vrijwel leeg. Daarna werd het glooiende, open landschap witter, bultiger en leger – steeds minder boerderijen, terwijl de landerijen zelf alsmaar groter werden. Dorpjes waren vaak niet meer dan gehuchtjes. Schuren op boerenerven hadden muren van kaal beton of hout.

Het stoptreintje reed vlekkeloos door dit landschap, beschenen door de lage winterzon. Op vrijwel elk station, waar de perronnetjes eruit zagen alsof ze gisteren waren opgeleverd, stond een groot bord: ‘Modernizacja linii’ – “Modernisering spoorlijn,” en altijd met het vlaggetje van de EU in die rechter bovenhoek. Langzaamaan werd het landschap verrijkt met bomen – besneeuwde dennenbomen, waardoor het op een winterwonderland begon te lijken. De gepleisterde gevels van de huizen waren geschilderd in pastelkleuren – beige, lichtgroen, lichtoranje. Aan de andere zijde van de pleecabine zat een man onophoudelijk te hoesten.

Mazurië is een woiwodschap (de Poolse versie van de Nederlandse provincie) dat bekend staat om de meer dan tweeduizend meren. Het is een beetje Friesland in het kwadraat, aangevuld met heuvels. In de haventjes dobberden bootjes, geduldig wachtend op het voorjaar. De trein reed station Iława Glówny binnen, waar we tien minuten bleven staan alvorens te keren en onze reis, aanvankelijk in noordoostelijke richting, te vervolgen over een andere spoorlijn.

Terwijl de sneeuw, die steeds dikker leek te worden, rond de voortrazende trein stoof, merkte ik dat deze spoorweg nog niet was gemoderniseerd. De trein schudde en rammelde door het bos, alsof een fanatiekeling de spoorbaan met een flinke moker had bewerkt. In Samborowa waren de perronnetjes nog laag – op het oude niveau van 550 millimeter; de nieuwe Europese standaardperronhoogte van 760 millimeter was hier nog niet doorgevoerd – en was het stationsgebouw dichtgetimmerd met houten platen, waarna onkundige graffiti-artiesten hun kans schoon hadden gezien om er eens goed tegenaan te gaan. En, weer doorrijdend, maakte het bos plaats voor enorme landerijen, met opmerkelijk lange schuren. Ik vermoedde pluimvee. Voordat het donker begon te worden rond 15:15 uur, zag ik veel wildobservatiehutten in het landschap staan – en de reden daarvan: er liepen veel herten door de weilanden.

Onder de grijze lucht was Polen een grauw land. Straatjes in de gehuchten waren uitgestorven. In Unieszewo stapte één dame uit. De lege rangeerterreintjes, de grijze lucht, de betonnen huizen met houten schuren, de desolate velden en bossen vol grote plassen op de laagst gelegen plekken – in alles voelde dit als een dunbevolkte, ietwat achtergestelde uithoek van Europa. Totdat er, in de laatste schemering, plotseling een meertje met bebouwing opdoemde, waarachter straatverlichting, auto’s en stoplichten zichtbaar waren.

 

* * *

 

Het was pikverschrompelend koud in Olsztyn.

De ondernulse temperatuur maakte dat de straten leeg waren. M’n adem wolkte uit m’n mond. Zelfs de hoofdstraat, Tadeusza Kosciuszki, was een uitgestorven boulevard van lage Sovjetflats, ingepaste nieuwbouw en geparkeerde auto’s. Met versnelde pas schreed ik voort, de route volgend zoals ik die min of meer onthouden had toen ik voor vertrek het hotel reserveerde. Het was niet heel erg moeilijk: ik moest doorlopen totdat ik een straat genaamd Mazurska had bereikt en dan bij nummer 8a naar binnen stappen.

Maar was dit wel een hotel, vroeg ik me af toen ik aan de ene zijde van een glazen luik stond en een dertiger, die er een pakkettendienst leek te runnen en zich aan de andere zijde bevond, aanstaarde. Hij opende het luik, waardoor er een gat ontstond waar een gemiddelde Bol.com-doos doorheen zou passen.

Ik vroeg: “Hotel?”

Hij antwoordde in het Pools, iets met ‘Hollandski’ en ‘reserveski’ (ze hadden in dit land iets met lange latten). Ik besefte dat een taal leren weinig intelligentie behoeft. Het is een kwestie van repeteren, herhalen, op je bek gaan, lachend verbeterd worden, de link leggen tussen overeenkomstige woorden uit talen die je al machtig bent. In dit simpele geval was de vraag natuurlijk of ik die Hollander met een reservering was.

“Ja.”

“Bevestiging?”

“Ja.” En ik gaf hem de bevestiging die ik op een helder moment had geprint.

Ik moest omlopen, gebaarde hij, door de carport. Daar wachtte hij met zijn hoofd uit een zijdeur. Ik stapte naar binnen.

“Sleutel,” zei hij in het Engels, en draaide de deur achter me op slot. Hij wees naar de trap; ik ging hem voor.

Op de eerste etage liepen we een keuken in. “Kitchen.” Ik had kamer vijf. “Room.” En, om de hoek van de keuken: “Toilet.”

“Perfect,” zei ik.

Met een vriendelijk knikje liet hij me alleen. De kamer was lekker karig: twee eenpersoonsbedden, een televisie, een stoel, een kachel en een paar snacks op het nachtkastje. Ik legde m’n laptoprugzak op het linkerbed en trok, staande in m’n eentje op die houten vloer, een chocoladereep open. Ik kreeg er een knus gevoel bij: een welkomstsnoepje in het huis van vreemden.

En dus kon je het huiswerk noemen: ik werkte m’n notities bij aan de keukentafel. Buiten lichtten de kleine sneeuwvlokjes op in het gele licht van een lantaarnpaal. Ik moest lachen om de plek waar ik me bevond: dit huis met z’n drie hotelkamers, deze keuken van het jonge gezin dat zich hoorbaar achter de deur in de verste hoek bevond, het toilet dat we deelden. Op de tafel lag een dik kleed, in de vensterbank diverse Poolse boeken en tijdschriften, kook- en bakgerei hing aan de muur, een grote gasoven stond klaar, en het enige dat ontbrak was een dikke vrouw met kookschort die tevreden naar de appeltaart in de oven staarde.

Het geheel had die mate van huiselijkheid en men waande zich er thuis, kreeg zin om neer te ploffen op bed (bij gebrek aan een bankstel) en de televisie aan te doen. De sneeuw gaf de buitenwereld een dermate koude aanblik dat je er helemaal niet in wilde vertoeven. Overal waren de gordijnen gesloten en omdat het nog zo vroeg was, leek het wel alsof men zich schuldig waande, alsof de hele straat toevalligerwijs tegelijkertijd aan het neuken was.

Aan de keukentafel maakte ik m’n werk af en besloot op zoek te gaan naar het kasteel waarin de middeleeuwse wetenschapper Nicolaas Copernicus had gewoond, de eerste die publiekelijk het vermoeden uitte dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt van het universum is.

Onderweg kwam ik een bordje tegen met ‘Planetarium,’ en ondanks het schijnbaar late tijdstip van 16:30 uur – de weg tussen het station en het centrum was net zo leeg als dat je zou verwachten na 23:30 uur – was het geheel nog open ook.

“Geen Engels,” zei de man achter de kassa, en hij keek me met zoveel tevredenheid aan dat het leek alsof hij de bal voor het oplossen van een complex probleem bij mij had gelegd. In feite was dat ook zo.

Ik vroeg: “Jeden persoonski?” Jeden, zo meende ik me te herinneren, betekende één.

“Next show… Five o’clock. You want English?”

“Wat is de andere optie?”

“Pools, Duits en Russisch.”

“Engels, graag.”

Ik betaalde en nam m’n kaartje in ontvangst.

“You go up the three steps, turn left and it’s on the first floor.”

Ik staarde de man met grote ogen aan. Dit kwam er behoorlijk geroutineerd uit voor iemand die zei geen Engels te spreken. Zou Chinees of Quechua hetzelfde effect hebben?

Dziękuję.”

De prachtige film in het Planetarium ging over de ontdekkingsreis van de mens door het heelal. In het kasteel van Olsztyn, waar Copernicus bijna vijf jaar lang (verdeeld over twee periodes) heeft gewoond, bevindt zich het enige fysieke overblijfsel van Copernicus: een astronomische tabel dat hij gebruikte voor berekeningen. Het was kort te zien in de film die men in het Planetarium draaide.

Later liep ik door het opvallend levendige en oude stadscentrum naar het kasteel. Het is, zelfs in onze tijd, een hoog en groot bouwwerk, maar het was natuurlijk al gesloten toen ik me aan de poort meldde. Ik liep eromheen, door de neerdwarrelende sneeuwvlokken en kwam langs het bescheiden borstbeeld van Copernicus. Tijdens het passeren van het beeld en het kasteel kwam ik tot de realisatie dat de Poolse maatschappij reeds in de middeleeuwen, toen Copernicus (1473-1543) leefde en op verschillende plaatsen in Europa woonde, een hoogontwikkelde kant moet hebben gehad die in contact stond met de grote universiteiten van weleer, voornamelijk in Frankrijke en Italië. Het land vormde dus al vroeg een enigszins geïntegreerd onderdeel van één van Europa’s voornaamste bijdragen aan de mensheid: de moderne wetenschap. Dat het daarna alleen maar meer vervlochten raakte – vaak onvrijwillig – met Europa, zou al snel blijken uit de voortzetting van deze reis.

DEEL 2 VERSCHIJNT BINNENKORT…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s