In Polen #2: De 09:06 naar Ketrzyn

De damp uit mijn beker koffie, waarmee ik de weg tussen het McDonald’s-restaurant en het station overstak, loste op in de ochtendnevel. Ik haastte me richting het warme EU-treintje, dat binnen vijf minuten zou vertrekken, en al snel kondigde het zachte geronk van de geroetfilterde dieselmotor het vertrek uit Olsztyn aan. We gleden de bossen in, waar heldere, blauwe luchten tikkertje speelden met de mist. Bij sommige stations bevonden zich leegstaande gebouwen; sommige stationsgebouwen zelf waren permanent gesloten en verzegeld met graffiti. Oude laadgebouwtjes, met rol- of schuifdeuren op wagonhoogte, die wellicht ooit een rol hadden gespeeld bij de postdistributie, stonden er verlaten bij. Toch was er genoeg leven te zien. In de dorpjes en gehuchtjes dampte de rook van haardvuur uit veel schoorstenen. En in veel seingebouwen – hogere panden met raampartijen rondom de bovenzijde, alsof het een luchtverkeerstoren betrof die zich veelal aan het doorgaande spoor bevonden nabij een spoorovergang – woonde de seinbediener. Bijna een uur na vertrek werd het erg mistig. Ik kon nog net de bevroren plassen op de laagstgelegen punten van glooiende weilanden zien, op zo’n vijftig meter van het spoor.

Maar in Korsze, een klein stadje met een geel stationsgebouw, werd het plotseling helder. Door de dunne bewolking heen scheen het gele zonlicht op de sneeuw, wat een prachtig effect gaf. Een stoomlocomotief stond op een verhoging, zoals je dat ook vaak ziet in Zuid-Amerika – een relikwie uit ‘die goede, oude tijd,’ of zoiets, die op het aparte spoortje van dezelfde lengte geen kant meer op kan en in die hoedanigheid staat weg te kwijnen. Maar het zou niet eerlijk zijn om de lezer met zo’n negatief oordeel achter te laten: deze locomotief, de OL49-38, betrof een prachtig opgelapt exemplaar, inclusief een kolenwagen, die sinds januari 2006 dienst deed als herinnering aan de belangrijke bijdrage die de spoorwegen hebben gespeeld in de ontwikkeling van Korsze. Hoe dan ook, het houten vrachtbeladingsgebouw – ook een relikwie uit die tijd – stond er vervallen bij; het enorme rangeerterrein met bijbehorend seingebouwtje stond leeg.

We reden verder door een weids landschap van bospercelen, gehuchtjes, en vanaf Tolkiny stond er geen ‘platform’ meer onder ‘peron.’ Je kon hier wellicht uit afleiden dat Polen weer bezit van zichzelf nam, maar het leek er eerder op dat de renovatiedienst van de Europese Unie nog geen gaatje in haar ongelooflijk drukke agenda had gevonden om de boel hier te komen aanvegen. Na slechts enkele dagen in dit land meende ik al vast te kunnen stellen dat het belangrijke perioden uit de recente Europese geschiedenis een fysieke plaats bood: de pronkloc in Korsze stond voor de 19de en begin 20ste eeuw, het bonkige spoor voor het achterstallige onderhoud en de armoede na het uiteenvallen van de Sovjetunie, de opgeknapte gedeelten voor de miljardensubsidies van de EU, en de ruïnes van de Wolfsschanze en de barakken van Auschwitz voor de Tweede Wereldoorlog. Polen was een Europees conservenblik.

In Ketrzyn, mijn bestemming, was de geschiedenis zelfs nog zichtbaar op het stationsgebouw: ‘Rastenburg’ stond er – de oude Duitse naam, die in 1946 werd vervangen door de naam Ketrzyn, naar de geschiedkundige Wojciech Ketrzynski. Niet zo vreemd als je bedenkt dat ook de Duitsers, die hier na de bevrijding van Polen nog woonden, richting het westen moesten verkassen en door Polen werden vervangen. De naam op het stationsgebouw was één overblijfsel; de nabijgelegen ruïnes van Hitler’s grootste hoofdkwartier, de Wolfsschanze, een ander, en daarvoor was ik in Ketrzyn uitgestapt.

Ik liep over de gladde trottoirs langs de bushokjes, maar nergens repten de vertrekschema’s over de Wolfsschanze. Natuurlijk wist ik niet wat de Poolse naam was, maar ik wist wel dat de afstand slechts acht kilometer bedroeg, en dus liep ik naar een taxi.

“Wolfsschanze?” vroeg ik aan de voorste in het rijtje van drie.

De chauffeur keek me aan. “Wolfsschanze? Adolf Hitler!”

“Ja,” zei ik. “Engels? Duits?”

Tedesco?

“Nee,” zei ik in het Pools, “Holenderski.”

“Italiaans?” vroeg hij. En nu snapte ik dat hij niet vroeg om m’n nationaliteit, maar naar een taal zocht die we gemeen hadden.

Italiano?” Ik stapte in. “Va benne.

De chauffeur zette de auto in beweging en keerde om. De straat was stil, op de trottoirs lag sneeuw.

“Wolfsschanze…”

Ik kreeg het gevoel dat ik me moest excuseren. “Ja, geschiedenis interesseert me.”

Tak.

“Maar u spreekt dus Italiaans?”

“Ik heb daar tien jaar gewerkt.”

“Waar in Italië heeft u gewerkt?”

“Mestre. Bij Venetië.”

“Mestre!”

“Ken je dat?”

Ik knikte. “Ja, absoluut. Ik heb ook in de provincie Venetië gewerkt. Caorle?”

Hij schudde z’n hoofd. Caorle was een klein kuststadje, meer niet.

“Wat heeft u in Mestre gedaan?”

Agrituristico.

Kamperen bij de boer? “Campingwerk?”

“Nee,” zei hij. “Groente, fruit. Plukwerk. Bloemkolen, carote…” Hij pauzeerde even. “Begrijp je?”

“Wortels,” zei ik in het Italiaans, de vorm met m’n handen nabootsend.

We reden vanuit het bos een spoorwegovergang over, een parkeerterrein op. Twee bunkerruïnes stonden in het midden ervan.

“Wolfsschanze,” zei de chauffeur.

“Kunt u me om vier uur weer ophalen?”

“Nou, eigenlijk…” Hij gaf me zijn visitekaartje. “Bel me maar als je hier klaar bent.”

Ik begreep de hint – je hebt geen vijf uur nodig voor een wandeling van enkele kilometers langs gewezen bunkers – en stapte uit. “Tot straks, dan.”

* * *

De Wolfsschanze was Hitler’s grootste hoofdkwartier tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ondanks het feit dat het verborgen lag in een bos van acht vierkante kilometer en niet zichtbaar was vanaf de grond of vanuit de lucht, was de 2,5 vierkante kilometer grote Wolfsschanze eigenlijk een compleet stadje op zich, geheel zelfvoorzienend, bestaande uit bunkers met bijzonder dikke muren, gelegen onder camouflagenetten en afgeschermd door de strengst mogelijke beveiliging. Tegen het einde van de oorlog, op 24 januari 1945, werd gepoogd de Wolfsschanze op te blazen om het bestaan ervan te ontkennen aan het Rode Leger. Maar helaas, de muren van gewapend beton waren zo dik, dat er vaak niet meer dan een barst ontstond en soms een muur scheef kwam te staan.

De Sovjets en de Polen zelf hebben daarna niet de moeite genomen om de ruïnes af te breken – de Wolfsschanze kan nog altijd bezocht worden. Ik moest twee euro toegang betalen in het hotel, waarvan de schoorsteen een heerlijk ouderwetse kolenlucht verspreidde, en volgde – met een Engelstalige gids in de hand – het voetpad richting de bunkers. Het was een koude dag buiten het toeristenseizoen, en ik had het geheel bijna voor mij alleen.

De Wolfsschanze is niet een heel bekende plek uit de Tweede Wereldoorlog, zoals bijvoorbeeld Auschwitz-Birkenau, maar het is wel de plaats waar een beroemde gebeurtenis heeft plaatsgevonden: Walküre. Deze aanslag kwam van binnenuit: veel Duitsers hadden helemaal niks met het regime van hun dictator en er leek maar geen einde te komen aan de oorlog: vooral toen de ontwikkelingen aan het oostfront, waar men onder meer de Slag om Stalingrad verloor, tegenslag na tegenslag begonnen te vertonen, en de Duitsers plotseling ook bommen in hun eigen nek gegooid kregen, groeide de weerzin uit tot actief verzet. 

 

Eén persoon die bijzonder sceptisch was geworden over de verspreiding vanhet nationaalsocialisme, was Claus von Stauffenberg. Als Nazi-soldaat vocht hij in de Sovjet-Unie, Polen, Frankrijk en het noorden van Afrika, waar hij in april 1943 gewond raakte. Na het genezingsproces werd hij bevorderd tot kolonel en aangesteld als commandant van het Ersatzheeres, een reserveleger – twee promoties die hem directe toegang gaven tot het hoofdkwartier van Hitler. Dit kwam niet slecht uit voor een verklaard tegenstander van het naziregime, die zich met medestanders had verenigd om tot een plan te komen dat het einde van Hitler met een knal moest inluiden.

Von Stauffenberg vloog op 20 juli 1944, samen met zijn assistent, luitenant Von Haeften, rond acht uur ’s ochtends voor een stafbespreking van Berlijn naar Wolfsschanze, waar het toestel om kwart over tien landde. De twee mannen, beiden met een koffertje in de hand, verzochten om gebruik te mogen maken van het slaapvertrek van adjudant Von Keitel: ze wilden zich even opfrissen en andere shirts aantrekken alvorens te beginnen aan de ontmoeting met de Führer. Dit was geen probleem en nu ze afgezonderd waren, zag Von Stauffenberg om 12:20 uur kans om met een tangetje de ampul, waar het zuur in zat dat de tijdsklok van de bom in werking moest doen treden, te breken.

Juist op dat moment werden beide mannen gestoord door sergeant Werner Vogel (geen familie), die het slaapvertrek betrad met de boodschap dat de bespreking ogenblikkelijk zou beginnen. Hierdoor kon Von Haeften het explosief in zíjn koffertje niet meer activeren. Von Stauffenberg liep naar de ontmoetingsruimte, zo’n driehonderd meter verderop, waar hij zíjn koffertje met het geactiveerde explosief onder de vergadertafel, twee tot drie meter van Hitler vandaan, zette. Onder het mom van een telefoontje wist hij zich om 12:35 uur te excuseren en het gebouw uit te komen. De bom ging om 12:42 uur af.

Om 13:15 bereikten Von Stauffenberg en Von Haeften het vliegveld, waarop hun Heinkel 111 direct het luchtruim verkoos. Von Haeften belde daarna met hun handlanger, generaal Olbricht, om aan te geven dat Hitler was gedood en het plan Walküre operationeel kon worden. Maar Hitler was slechts lichtgewond geraakt en diens handlanger, Himmler, beval de ‘discrete arrestatie’ van Von Stauffenberg. Diezelfde avond, rond halfeen, werden Von Stauffenberg, Von Haeften, Olbricht en kolonel Mertz von Quirnheim door een vuurpeloton om het leven gebracht. Het plan Walküre faalde.

Het verhaal over de aanslag is onlangs verfilmd onder de naam Valkyrie, met Tom Cruise in de hoofdrol – inderdaad, de Duitsers spreken onderling Engels. Behalve heldendom, hebben Hercules, Jezus Christus, Anne Frank, Julius Caesar, Evita Perón én Claus von Stauffenberg gemeen dat ze hun eigen taal niet hebben mogen spreken in Amerikaanse producties, omdat anders het popcornvretende, Amerikaanse bioscooppubliek minder geneigd zou zijn tot het kopen van een kaartje.

Hoe dan ook, juist de bunker waar deze bomaanslag op Hitler door een te licht explosief weinig schade aanrichtte, ligt tegenwoordig helemaal plat. Er was niks meer van over, behalve betonnen balken en platen die als gedumpt afval tussen de dennen- en loofbomen lagen, verborgen onder een dun laagje sneeuw. Het vernietigen van de ontmoetingsruimte moet geen groot probleem zijn geweest gezien de relatief dunne, betonnen elementen. Hoe anders was het geval van Hitler’s Bunker? De man leefde onder een dak van gewapend beton dat 8,5 meter dik was. Zelfs toen de bunkers tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog moesten worden opgeblazen, verschenen er slechts enkele barsten in de noordwand van Hitler’s Bunker. Deze bunker was, vanwege die enorme dikte en de aard van de bewoner, het grootste bouwwerk van de Wolfsschanze: de buitenkant had een oppervlakte van 2.480 vierkante meter. Het was een vreemde gewaarwording om op een plek te staan waar Mr. Evil nog zijn hond Blondi (die naam…) liefdevol heeft uitgelaten, terwijl in de directe omgeving en elders miljoenen mensen in zijn naam werden gefolterd, doodgeschoten, tot slavernij gedwongen, gearresteerd of vergast. Uiteindelijk zijn er heel erg weinig plekken overgebleven waar het directe nalatenschap van Hitler tastbaar is en hier stond zowaar zijn bunker: een even megalomaan gedrocht als het gedachtegoed van de man zelf. Het gaf toch te denken dat de man die bommen smeet op miljoenen Europeanen zichzelf een dak van 8,5 meter gewapend beton had aangemeten, zodat hij, sabbelend op z’n duim, lekker kon slapen.

Ik volgde het voetpad tussen al die bunkers door, onderwijl de Engelse tekst vol fouten lezend. Maar opeens hielden de beschrijvingen geen rekening meer met de realiteit: ik moest volgens het boekje het spoor oversteken, maar op die plaats waren er planten neergezet. Ook was er een hek – het hele gebied is omheind – dat door koppige bezoekers zo te zien al enkele keren was doorbroken, waarop het met enkele extra lagen gaas weer was gedicht. Het bospad achter het hek en spoor was volgens het boekje de hoofdweg naar de Wolfsschanze. Ik liep door over het bospad aan de binnenkant van het hek, kwam weer uit bij het parkeerterreintje en belde, na een verwarmende kop koffie, de taxi.

“Hoe was het?” vroeg de chauffeur.

Goede vraag.

“Indrukwekkend,” zei ik. Wat moest ik anders zeggen?

De chauffeur knikte. “Si.

* * *

Ik lunchte in het naast het kasteel gelegen restaurant ‘Zajaz Pod Zamkiem’ en nam de trein naar Elk, waar ik na aankomst om 16:23 uur bijna drie uur moest wachten, want de eerstvolgende trein vertrok pas om 19:13.

De stad voelde aan als de binnenkant van een goed functionerende koelkast. Er was geen teken van een stadscentrum – tegenover het station stonden Sovjet-achtige flats – en ik had helemaal geen zin om in de kou en duisternis door deze stad te dwalen. Links van het stationsplein zag ik een winkelcentrum, daarachter vond ik een bioscoop. En zo bracht ik die paar uurtjes in een comfortabele stoel door, kijkend naar de film Sully met Tom Hanks.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s