In Polen #3: De 19:13 naar Bialystok

Tegen de zin van een fanatieke beveiliger stond ik langs de stoeprand voor het stationsgebouw van Elk met een peuk tussen m’n vingers. Hij sprak met veel enthousiasme over zloty’s. Een boete? Maar ik rookte toch zeker niet in het gebouw?

Nie Polski,” zei ik, hopend dat dit me zou redden.

English? Deutsch?

Ik knikte; doe maar iets.

No smoking here!

“Waar mag ik dan wel roken?”

Where is that man,” wees hij – dertig meter verderop. En omdat ’t mijn levensdoel was om iedereen gelukkig te maken, stelde ik me zeer dicht bij m’n mederoker op, aan de rand van een tamelijk willekeurig gazon. Ik moet de andere roker enige irritatie hebben bezorgd, want die verkoos vrijwel onmiddellijk een andere locatie.

En dat was Elk – koud, donker, een film en een fanatieke beveiliger.

Het boemeltje naar Bialystok vertrok om 19:13 uur en zou 91 minuten over de rit doen. Op het televisiescherm werd de wisent getoond als logo van Podlaskie, het woiwodschap waar Bialystok de hoofdstad van is. Dat was een aardige introductie, want ik was juist onderweg naar Podlaskie om het beest te bekijken. Aan boord bevonden zich veel jongeren – misschien studenten op weg naar de universiteit. De trein baande zich schuddend een weg door de duisternis. Ik zag weinig verlichting, alsof we door de bossen reden. Ik verveelde me. Normaal gesproken zou ik notities hebben gemaakt, maar daarvoor schudde de trein veel te veel; ik had geen boek, krant of tijdschrift bij me; geen laptop, tablet of smartphone. Ik probeerde één en ander te ontwaren buiten, maar het enige dat ik zag was de reflectie van mezelf in het raam.

Na eenennegentig lange minuten schudde de trein om 20:44 uur een laatste maal – precies volgens het boekje. Ik trok m’n vest over m’n trui aan, daarover weer m’n jas (het moet gezegd dat ik er in deze hoedanigheid nog plofkippiger uit zag dan normaal) en zwaaide m’n laptoptas over m’n schouders. Achter de studenten aan liep ik het lage perron op. De temperatuur was haast aangenaam – Bialystok ligt iets meer naar het zuiden, de wind was afwezig, evenals de snijdende kou van Olsztyn en de gladde trottoirs van Ketrzyn. Iedereen verspreidde zich: het stationsgebouw door en regelrecht naar afhalers, taxi’s en bussen.

Voor het station strekte zich een lange, donkere straat uit. De drukte van de arriverende trein vond zijn tegenpool in de leegte van deze weg. Zelfs de trottoirs waren geheel vrij van sneeuw. Ik liep vanaf het stationsplein rechtdoor – in alles leek het erop dat de rijke façade van het stationsgebouw een waardige entree tot de stad moest voorstellen. Maar het zal wel een communistische gedachtegang zijn geweest om het volk in de grauwe, betonnen flatgebouwen ginder en rechts van me zo mooi te onthalen. Ik keek om. Een brug leidde over de sporen. Ook daarachter had men een flatgebouw neergezet. Waar waren de kerktorens, die altijd dienden als het baken van het stadscentrum? Ik zag een hoog monument, ongeveer een kilometer verderop, dat baadde in het licht. Dat moest haast wel het centrum zijn; ik keerde om.

De voetgangersbrug over het spoor had zijn beste tijd gehad – het looppad kronkelde tussen houten afzettingen door en de treeën werden her en der ondersteund door houten balkjes. Een tweetal heren kwam me vanaf de andere kant tegemoet; ik overwoog hen de weg te vragen – er was weer niks anders te zien dan flats. Maar we passeerden elkaar. Nabij het busstation liep ik door een donker gedeelte langs een gesloten, oud en spoedig af te breken winkelcentrum. De grote straat aan de overkant, waar alleen een McDonald’s-restaurant voor enige levendigheid zorgde, bracht me tot een kruispunt waar ik linksaf sloeg, richting het monument.

“Centrum?” vroeg ik voor de zekerheid aan een passant.

“Jazeker.”

En tien minuten later had ik voor €40 een kamer in een viersterrenhotel.

* * *

Het tramachtige, pleeloze treintje, voorzien van harde stoelen waarop niet geslapen kon worden, vertrok, volgens schema, om 06:38 uit Bialystok met vijf passagiers aan boord. We reden het daglicht in en steeds meer kreeg ik het gevoel echt op reis te zijn – de haltes waren vaak zo ver van het bijbehorende gehucht verwijderd dat er geen huizen zichtbaar waren, er stonden geen kaartmachines, er woonden wisselwachters in toren-achtige gebouwtjes bij de ‘grotere’ stations, en het spoor was oud en bonkig. Mijn bestemming, Czeremcha, leek wel een metropool vergeleken bij alles wat de trein had gepasseerd sinds het vertrek uit Bialystok.

Maar toch heerste er in Czeremcha, een dorpje met 3.700 inwoners waar enkele spoorlijnen bij elkaar kwamen, de rust van een kerkhof. Ik stak de smalle, roestige voetgangersbrug over het spoor over en werd bevangen door een ijzige wind. Een enorm spooremplacement strekte zich rechts van me uit. Op zoek naar een cafeetje om de anderhalf uur wachttijd te overbruggen, zwierf ik door de uitgestorven straten, langs een oude stoomlocomotief binnen de gesloten hekken van het lokale spoorwegmuseumpje, voorbij de kolenberg naast het grote schoolgebouw, de sneeuw knarsend onder m’n schoenzolen. In de lucht hing een geur van kolenkachels. Uit vele schoorstenen steeg lichte rook op. Al die mensen in hun huizen… Soms, in een overmoedige bui, fantaserend over alle reizen die ik nog wilde maken, beeldde ik me in dat ik iemand uitdaag om langs een zelden gebruikt weggetje in een dunbevolkt gebied een huis te bouwen, op een locatie waarvan hij denkt dat ik nooit voorbij zal komen. En dan zou ik weleens het tegendeel bewijzen. De kans is immers groot dat een vreemdeling vroeg of laat voorbij komt, omdat de reiziger zich vaak laat leiden door een bepaalde richting en daarmee het lot der toeval. Welnu, als de Czeremchanen, die duidelijk niet op straat te vinden waren, op dit moment wél vanachter de vitrage van al deze houten huizen naar buiten keken, dan kwam hun reiziger nu voorbij gelopen – of ze er nu op hadden zitten wachten, of niet. En hij wilde koffie.

Maar er was nergens koffie te krijgen. Het treintje zonder plee had me naar een dorpje zonder café gebracht. Het was natuurlijk ook het verkeerde jaargetijde. De Europese Unie had wederom diverse projecten gefinancierd, zoals het cultureel centrum en toeristische fietsroutes. In het cultureel centrum – een nieuw gebouw tegenover het lege, roestige spooremplacement – waren er zelfs overnachtingsmogelijkheden. En op het bord naast de ingang stond een dampende kop koffie afgebeeld. Maar ik moet de eerste persoon nog tegenkomen die cafeïne uit een plaatje weet te distilleren. (U ook, hoop ik.) Bij het supermarktje stonden voornamelijk oude vrouwtjes – het enige jonge meisje dat ik zag was de kassière – die met de boodschappen in hun roltas en hun voetjes in de warme bonte laarzen hun laatste nieuwtjes deelden.

Ik kocht kaas (genaamd – eerlijk waar – Edamski), melk, een paar roombroodjes en brood. Met dit ontbijt trok ik me terug in de wachtruimte van het stationsgebouw. Een schoonmaakster had zojuist geveegd en verliet het pand, waardoor een wachtend vrouwtje en ik de enige twee personen binnen waren. De loketten waren dicht, het winkeltje was dicht, de winkelruimte ernaast stond te huur (‘Do wynajecia’), de ruimte waar ooit bagage kon worden afgegeven was afgesloten met een traliehek, het houten bord waarop ooit treinen werden aangekondigd was leeg. Op de vloer stond het jaartal 1989. Het oude vrouwtje las een tijdschrift; ik dronk mijn liter volle melk in één keer op en werkte de roombroodjes erachteraan naar binnen. Er viel verder niks te doen. Uiteindelijk telde ik het aantal TL-balken aan het hoge plafond: vijftig, of zoiets. Ze waren niet allemaal meer aanwezig. De spoorwegen hadden duidelijk bezuinigd op dit station, met z’n weinige passagiers, maar de kachel brandde, de vuilniszakken waren leeg, de klok liep, de schoonmaakster had geveegd – dit functionele stationsgebouw, met al het houtwerk langs de muren, leek wel een functionerend museumstuk uit de Sovjettijd. Ik hoopte dat dit nooit zou veranderen: de vele overcapaciteit in het stationsgebouw van dit doodse dorp, nu achter gesloten ruiten, kon alleen maar stammen uit een tijd waarin de rol van geld zo kunstmatig naar de achtergrond werd gedrukt dat men vier loketten installeerde terwijl er vanuit commercieel oogpunt hooguit twee nodig zouden zijn geweest. Drie kwartier lang zat ik in die museale wachtruimte; de laatste twintig minuten alleen. Uit pure verveling telde ik de tl-balken nog maar een keer.

* * *

De enorme, ongeschoren conducteur bekeek m’n kaartje met de gefronste blik van de twijfelaar die één en ander tot zich door liet dringen. Toen ik die gefronste wenkbrauwen voor de eerste keer had gezien, starend naar m’n interrailkaart als een moedeloze advocaat die het wetboek nazocht op een maas die zijn cliënt kon vrijpleiten, had ik mijn twijfels bij de duur van mijn verblijf aan boord van een trein. Maar omdat het steeds weer tot het controlerend personeel doordrong dat het wel degelijk om een geldig kaartje ging, had ik er nu alle vertrouwen in dat ik steeds weer mijn bestemming zou bereiken. Deze conducteur had duidelijk geen idee wat voor kaartje ik had, maar wilde ook niet af gaan als een gieter.

“Hajnówka, tak?” vroeg de man.

Tak.

Hij stempelde de kaart en gaf het weer terug. “Dank u wel.”

Dit treintje was stukken beter dan die vorige – er was een toilet en er waren hoofdsteunen. Maar de rit door het bos duurde slechts kort. Na ruim een halfuur stond ik op het perronnetje van Hajnówka, voor het dichtgespijkerde stationsgebouw – voor elk raam en elke deur bevond zich een houten schot, waar door de lokale creatievelingen dankbaar gebruik van was gemaakt als graffitiplaat. En omdat niet elk schot nog helemaal aanwezig was – in die staat bevond het geheel zich – kon ik her en der nog ruiten ontdekken, die door de lokale Orde van Stoeptegelsmijters gehalveerd waren. Het treintje bleef staan; het eindpunt was bereikt. En ik stond op het perron, met m’n schoenen in de sneeuw, m’n laptoprugzak geschouderd.

En nu?

Er was geen enkele indicatie met betrekking tot een bushalte, en ik moest de bus hebben. Er wás een bus, dat wist ik, dat moest wel – Bialowieza was als toeristenoord te belangrijk om niet verbonden te zijn met de buitenwereld, ook al reed die stoomtrein alleen in de zomer. De andere passagiers beklommen de loopbrug over het spoor. Ik volgde hen. Vanaf de brug zag ik een rood hok dat in universele termen een bushalte kon voorstellen, maar de locatie achter de sporen was onlogisch. Waarom niet op het parkeerterrein naast dat wrak van een stationsgebouw, waar zich ook het perron bevond? En toen zag ik juist daar een bushokje, waarvan op twee na alle ruiten waren gesneuveld. Ik liep terug. En jawel: volgens het bordje zou de bus naar Bialowieza om 11:07 uur vertrekken. 

“Geen bus,” riep een taxichauffeur door het open raam, die op het punt stond weg te rijden.

“Oh?” Ik wees naar het bordje met reisschema.

Hij hield een verhaal op in het Pools. “Mijn moeder van 83 heeft dat reisschema daar opgehangen. Ze heeft eerst een tabel gemaakt in Excel en daarna heeft ze in het holst van de nacht de omlijsting van die ongebruikte rooie bushalte aan de overzijde van het spoor afgeschroefd en dat bord met haar reisschema aan die paal gehangen, waar jij nu bij staat, en een paar potige kerels betaald om dat bushok hier naar toe te verslepen. Daarna heeft ze zelf nog een aantal keien door die ramen gekinkeld. Ze is erg traditioneel, zie je. En nu lokt dat bord van mijn moeder mensen naar het parkeerterrein en vervolgens sta ik hier om hen te vertellen dat er helemaal geen bus is, waardoor domme toeristen zoals jij in mijn taxi stappen.”

Nie Polski,” zei ik maar weer eens.

“Geen bus,” concludeerde hij nog een keer voor me.

“Dank u,” zei ik.

Hij knikte gemoedelijk, op die dienstbare wijze van een professionele ober, wachtte even – zou ik instappen? – en reed weg.

En nu?

De betere momenten op reis spelen zich af wanneer de planning weg valt, omdat daarmee het gevoel van een plichtmatige handeling – Ik moet die bus halen!, denk je dan – ook verdwijnt. Wanneer die bus niet rijdt en je niet de beschikking hebt over nadere informatie, heb je plotseling alle tijd. Je kunt nog even naar de markt gaan, een nachtje langer blijven, of, zoals ik dit keer deed, achter een muurtje de sneeuw weg zeiken. Het gaf me wat bedenktijd, maar naderhand liep ik, alsof ik weigerde om die taxichauffeur te geloven, weer terug naar het bordje. Toen zag ik het. Of het schema nu geldig was tot of vanaf werd me niet duidelijk, maar de datum was ’19.09.2012.’ Dat was ruim vier jaar geleden. Daar stond ik dan, op een leeg parkeerterrein vol sneeuw, naast een bushok met ingegooide ruiten, een dichtgetimmerd stationsgebouw en een gloednieuwe trein waarvan de deuren gesloten waren en waarvoor voorlopig geen nieuwe passagiers leken te arriveren.

De grote conducteur kwam aangefietst – zijn dienst zat erop.

“Bus?” vroeg ik.

Hij schudde zijn hoofd en maakte een vragend gebaar.

“Bialowieza.”

In het Pools legde hij me één en ander uit, maar ik volgde zijn handbewegingen: hij wees naar het einde van de straat en naar de kerk. “Kirche,” zei hij in zijn verhaal, en ik was blij verrast dat m’n Pools al zo goed was dat ik zulke woorden eruit kon filteren – totdat ik besefte dat hij enkele Duitse woorden gebruikte met een ontzettend dik Pools accent. Hoe dan ook, vijf minuten later stond ik bij een halte nabij de kerk, tezamen met andere wachtende buspassagiers.

Een blonde vrouw met kort haar, die tussen de wachtenden stond, vroeg iets aan me in het Pools. Ik onderbrak haar met m’n inmiddels gebruikelijke twee Poolse woorden. “It’s okay,” zei ze. “Don’t worry about it.” De bus van Arriva (!) stopte bij de halte en even later reden we door de bossen – de oerbossen waar ik voor gekomen was, want ik wilde de Europese bizon, de wisent, eens van dichtbij zien in de natuurlijke leefomgeving. In Bialowieza, aan de rand van het gelijknamige nationaal park, stapten de blonde vrouw en ik uit bij hetzelfde hotel. Ze trok een koffertje op wieltjes achter zich aan. Ondanks dat naar eigen schatting minstens 25% van alle huizen kamers te huur aanbood, waren er maar twee hotels. De eerste had ik over het hoofd gezien, maar deze tweede kon niet bepaald over het hoofd worden gezien: het was een groot gebouw met een eigen parkeerterrein en een joekel van een bord.

“Heb je een reservering hier?” vroeg ze met een gezicht alsof ik haar achtervolgde – zij had voorin de bus gezeten, dus nu liep ik achter haar (aan) het terrein op.

“Nog niet,” zei ik en lachte in mezelf om het bordje bij het hotel met een Europees vlaggetje in de rechter bovenhoek. “Maar ze zullen vast wel een kamertje vrij hebben. Het is nu niet bepaald het hoogseizoen.”

“Lukt vast wel.”

En inderdaad: er waren genoeg kamers vrij. Ik had niet eens buren.

Bialowieza was duidelijk op toerisme georiënteerd: veel informatieborden, waar de omvangrijke geschiedenis van één van Europa’s laatste oerbossen op stond weergegeven, waren in het Pools en in het Engels. Het dorp, dat eigenlijk uit vijf aaneengegroeide dorpjes bestond, was meer dan drie kilometer lang en lag heel dichtbij Wit-Rusland – de laatste dictatuur van Europa, dat mentaal gezien zover weg ligt, lag nu binnen handbereik. Ik hoefde maar een paar kilometer af te leggen om aan een gesloten grens te staan, een Europese grens waarachter de Europeaan alleen met een visum mocht komen. Een bizarre gewaarwording. Daar: doodstraf, geen vrije verkiezingen, gecensureerde media. Hier: maximaal levenslang, vrije verkiezingen, het vrije woord. En hoelang was het nog maar geleden dat West-Europeanen voor een land als Polen nog een visum nodig hadden? In dit huidige tijdperk had geen kip om mijn paspoort gevraagd na de landing in Gdansk. Wit-Rusland kan haar eigen status volhouden zolang Rusland het toestaat of totdat Rusland en de Europese Unie eens een gezonde toenadering zoeken om voor beide economische grootmachten een win-winsituatie te schapen.

Toch bestond het grensoverschrijdende Nationaal Park Bialowieza dankzij een geschiedenis waarin zowel Poolse koningen als Russische tsaren het oerbos met haar wisenten, herten, lynxen, wolven en bevers tot koninklijk jachtterrein hadden verklaard. Ik liep de paleistuinen in, waar nu diverse oude gebouwen nieuwe functies bekleedden. Een moderner gebouw, dat in de jaren zestig op de plek van het door de Nazi’s verwoeste paleis was neergezet, bood onderdak aan het ‘Nature Museum,’ ofwel Muzeum Przyrodniczo-Lésne.

Ik kocht voor 15 zloty een kaartje en ontving een audioset. Samen met een Pools stelletje, dat op het laatste moment nog kaartjes had gekocht, moest ik naar de eerste ‘scène’ lopen en op 1 drukken. Zo’n scène bestond uit een weergave van opgezette dieren in een decor van het woud: otters bij een dam in een rivier, herten tussen de struiken, een lynx op een boomtak. Via de audioset hoorden we een vaak droge, soms wat technische narratie over hetgeen we zagen. En bij scène 2 drukten we op 2. Het was soms langdradig, maar door de toegankelijkheid ook interessant. Naderhand beklom ik de uitkijktoren, maar zag alleen bomen en weiland (niet dat ik iets anders verwachtte, maar je hoopt toch altijd op een Wauwski!-moment). Beneden was er een expositie met foto’s van het oude paleis.

Door het museum begreep ik het gebied en haar achtergrond beter en wist ik dat de wisenten die tegenwoordig in het nationaal park leefden, uit een fokprogramma afkomstig waren en opnieuw in het bos waren geïntroduceerd. Maar die beesten daadwerkelijk in het wild zien was van geheel andere orde: aan de rand van de paleistuinen keek ik over de bevroren weilanden naar het dichtbegroeide bos erachter. Ik had gelezen dat er in de winter een redelijke kans was om hen te spotten op bijvoederplekken, maar uit de schaarse informatie had ik niet kunnen distilleren waar die precies waren.

“Er is een reservaat,” zei de dame van de toeristeninformatiekiosk. “Daar zal je ze zeker kunnen zien. Ga naar Zebra Zubra.” En ze schreef het voor me op op een landkaart van de omgeving. Het was ongeveer vier kilometer wandelen, exclusief de drie kilometer door het dorp vanaf het hotel.

En zo, de volgende ochtend, liep ik het hotel uit met de intentie aan die wandeling te beginnen, maar toen ik een bus zag staan verkoos ik deze snellere transportmethode. De chauffeur bleef tot vertrektijd aan de telefoon en toen ik hem daarna een kaartje liet zien waarop Zebra Zubra stond aangegeven, reageerde hij onwetend en ongeduldig. Een andere dame, die dacht te weten waar ik naar toe wilde maar zelf ook alleen Pools sprak, schoot me te hulp.

“Reservaatski,” zei ik.

“Reserwat,” knikte ze en zei iets tegen de buschauffeur.

“Twee zloty,” zei hij.

De blonde vrouw van gisteren, in een poging de bus nog te halen, kwam de weg over gerend en vroeg om een kaartje naar het reservaat. Ze nam plaats op het bankje voor me en knikte me gedag.

“Waar was je toen ik je nodig had?” lachte ik.

“Ga je ook naar het reservaat?” vroeg ze.

“Ja. Ik ben hier voor de wisenten.”

“Ik ook. Ik kom ze fotograferen.”

“Ik kom over ze schrijven.”

Haar naam was Monika. In 2004, na de Poolse aansluiting bij de Europese Unie, was ze met haar Poolse echtgenoot naar Engeland verkast.

“Was het moeilijk om je daar te settelen?” vroeg ik.

“Helemaal niet. Er was veel werk. Nu is het moeilijker; ik zou het niet nog een keer doen.”

“Zoals terugkeren naar Polen?”

“Ik begon een nieuw leven toen ik jong was. Om het nu weer te doen, nee. Ik blijf waar ik nu woon. Te gevaarlijk…”

Maar ze kwam regelmatig terug naar Polen, omdat ze nu genoeg geld had om alles te doen wat ze eertijds niet kon doen, zoals een paar dagen uittrekken voor de wisent.

“Dat reservaat is één van de twee manieren om wisenten te zien,” zei ze. “Je kunt ook een gids huren.”

“Ja, maar dat kost 500 zloty, hoorde ik gisteren van de dame van de toeristeninformatiekiosk.”

“Honderdtachtig,” zei ze. “Dat las ik op het internet.”

“Is die informatie dan niet gedateerd?”

Ze lachte. “Dat zou zomaar kunnen.”

Zeven kilometer verderop werden we afgezet nabij een lang, houten bord waarop het bizonreservaat stond aangekondigd. We liepen over de zandweg het bos in en naderden een nieuw, houten entreegebouw. Ervoor werd nog gewerkt aan de bestrating. Monika vroeg aan de werklieden waar de ingang was.

“We moeten omlopen,” zei ze. “Zie je, dit is één van de problemen in Polen: borden. Veel mensen hebben hier problemen mee, ook Polen die al jaren in het buitenland wonen.”

“Ben jij bij die bushalte naast het treinstation geweest?”

“Ja. Ze zouden een kruis over dat bord moeten zetten. Iemand vertelde me dat er geen bus was en waar ik naar toe moest. Daarom ben ik er zo van onder de indruk dat jij die andere bushalte kon vinden.”

“Ik heb het gewoon aan iemand gevraagd. Maar in mijn land zetten ze zoveel borden op één plek neer dat het het tegenovergestelde van Polen is.” Ik wees naar ‘Entrance,’ geschilderd op de omheining. “Kijk.”

“Nu, ja. Nadat we eerst naar de verkeerde plek waren geleid door het eerste bord. Weet je, ik heb een idee om Poolse mensen te helpen die weg zijn geweest. Soms kunnen ze zelfs de weg niet vinden op Poolse luchthavens, omdat ze te lang zijn weg geweest. Alles is veranderd.”

“Het is nu juist heel gemakkelijk om in Polen te reizen.”

“Nu wel, ja. Mensen spreken een beetje Engels, er zijn meer treinen… Daarvoor was het moeizaam.”

“Hoe wil je die mensen helpen?”

“Bijvoorbeeld: de bus in Hajnówka. Er is daar geen informatie; er valt sowieso niks te doen. Ik kan hen de juiste locatie vertellen.”

“Op een website?”

“Nou, ik wil beginnen op Facebook. Er zijn veel mensen die Facebook hebben.”

“Dat is waar.”

We vonden de ingang, waar we tien zloty moesten betalen. Maar na betreding bleek het reservaat een dierentuin te zijn. Aanvankelijk dacht ik nog dat de hertenweide enig in zijn soort was, maar binnen de houten omheining gingen veel meer van zulke (grote) terreinen schuil. De tweede betrof – dat dan weer wel – een afzetting waar binnen wisenten zaten, drie stuks. De stier was enorm. Zijn schouders reikten tot 1.75-1.80 meter. Ik schatte dat z’n kop (mits het een uitgeholde versie betrof) alleen al groot genoeg was voor een gemiddelde 8-jarige om zich helemaal in te verbergen.

Monika reikte in haar tas en haalde er een ruimtetelescoop uit. Bij nadere bestudering bleek het een kanon van een fotocamera te zijn.

“Is dat de kleinste die je kon vinden?” vroeg ik.

Ze lachte. “Mijn kleine camera zit in m’n tas.”

Dat gevaarte van haar maakte mijn digitale cameraatje in ieder geval een stuk handzamer. En sneller. Nog voordat ik m’n onbeleefdheid wilde verdoezelen met de opmerking ‘Ik wil niet onbeleefd zijn, maar…,’ zei Monika: “Je hoeft niet op mij te wachten. Ik ga heel veel foto’s nemen en dat kan uren duren. Ik ken mezelf. Ga gerust je eigen gang, als je wilt.”

Ik knikte dankbaar. “Ik weet precies wat je bedoelt. Nou, bedankt voor het vertalen. Dat maakte alles een stuk gemakkelijker.”

“En jij bedankt voor het meelopen door het bos. Ik voelde me een stuk veiliger.”

Serieus? “Succes met fotograferen.”

“Dank je. Jij met schrijven.”

Ik verbleef ongeveer anderhalf uur in de dierentuin, m’n eerste keer in jaren. Er kwamen zo weinig bezoekers dat je kon communiceren met de dieren. Het edelhert richtte z’n gewei op me, de wolven jankten als honden en volgden me langs het hek, het eland stond te jammeren en het andere eland kwam naar me toe, soms de ijzeren reling likkend. Ik kreeg bij alle dieren de indruk dat ze honger hadden, hoewel ze er goed doorvoed uitzagen en prachtige vachten hadden. Misschien kwamen er de laatste tijd wel zo weinig bezoekers dat ik voor de verzorger werd aangezien – Monika en ik waren letterlijk de enige bezoekers.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s