In Polen #4 (slot): De 12:54 naar Katowice

Monika zat ernaast: er was wél wat te doen in Hajnówka. Je moest alleen even op het idee komen, maar ik kreeg ‘m in de schoot geworpen toen we langs het zwembad reden. En dus had ik een zwembroek en een handdoek nodig. De markt was gaande. Ik slenterde erover heen – groente, een onthoofd en gevild varken gewikkeld in plastic, veel kleding. Dat laatste was overigens nog best wel curieus. Je hoeft niet langer dan een dag in Polen te zijn om te zien dat joggingbroeken een gangbaar model zijn onder schooljeugd en dat gepensioneerde dames als sjiek geklede Matroesjka’s – ze leken allemaal zo kort en rond en ingepakt – door de sneeuw sjoefelden. Een gang over de markt voegt aan dit rijtje ballenknijpers als populair ondergoed en een voorkeur voor donkere kleding toe. Ze hadden alleen geen zwembroeken in de aanbieding.

Dichtbij zat een winkelcentrum met een Jysk. Daar scoorde ik een keukenhanddoekje voor twee euro; bij de Adidas-winkel een zwembroek. En zo meldde ik me even later bij de kassa van het zwembad.

Het lijkt misschien een risico om eerst, ongeïnformeerd, zulke aankopen te doen, maar in de meeste buitenlandse zwembaden kun je de hele dag terecht om baantjes te trekken. Een toerist in Nederland zou echter een veel groter risico nemen. Ik kan natuurlijk niet spreken voor alle Nederlandse zwembaden, maar met de autoriteit van ervaring kan ik wel De Waterhoorn in het Noord-Hollandse Hoorn als voorbeeld nemen. Dat zwembad is een ramp. Het wedstrijdbad wordt onderworpen aan dezelfde agenda als die van een drukbezette zakenman uit de hogere regionen van het bedrijfsleven. Om de beurt worden er groepen en doelgroepen toegelaten: dat begint, bijvoorbeeld, om halfacht ’s ochtends met de banenzwemmers; anderhalf uur later moeten die het bad verlaten voor een oefensessie van de duikers van de brandweer; dan komen er schoolkinderen; daarna volgt er het één en ander voor aanstaande moeders. Als je van zo’n tijdblok gebruik maakt om banen te zwemmen, zwem je als een stel ganzen achter elkaar aan. Het is er net de Albert Heijn op zaterdagochtend. Aan de ene zijde van het bad heb je de oudere, kletsende dames die gezellig met z’n drietjes naast elkaar zwemmen; aan de andere zijde heb je de supersnelle sportzwemmer; daar tussenin heb je het drukste gedeelte, dat van de recreatieve, wat jongere banenzwemmer – het wemelt er van de luitjes die vrijwel letterlijk elkaars voeten kietelen.

Zo’n zwembad als De Waterhoorn zal zich ongetwijfeld beroepen op zaken als het kostenplaatje, vraag en aanbod, maar ondanks dergelijke retoriek kun je in het buitenland altijd de hele dag terecht om banen te zwemmen. In het Australische Broome was het geen probleem, in het Canadese Banff al helemaal niet, in het Cambodjaanse Phnom Penh was het even zoeken maar vond ik ook een zwembad, en zo ook in het Italiaanse Caorle. Dat was niet anders in Hajnówka. Er zwom één andere persoon in het banenbad. En zelfs toen er daarna tienermeisjes kwamen schoolzwemmen (hoewel het eerder ravotten dan zwemles was), gevolgd door jongens, kon ik gewoon in m’n eigen baan en in mijn eigen tempo blijven zwemmen.

Na twee uur wierp ik voldaan m’n keukenhanddoek in de vuilnisbak en liep naar het station.

* * *

Het dieseltreintje ronkte al toen ik het perron betrad en zette om 14:40 uur koers richting Siedlce, waar ik de nacht wilde spenderen in een hotel omdat er ’s ochtends een rechtstreekse intercity naar Katowice zou rijden. Direct na vertrek wilde ik naar het toilet lopen, maar de conducteur kwam eraan. Hij wist zich geen raad met mijn treinkaartje en probeerde de Nederlandse QR-code te scannen, waarmee de OV-chipkaartpoortjes kunnen worden geopend.

“Interrail,” zei ik.

Hij ging erbij zitten. De andere conducteurs hadden toch duidelijk gestempeld, hoewel de twijfel bij velen zichtbaar was geweest. Hij bestudeerde de kaart.

“Interrailticket,” zei ik.

Opnieuw scande hij de QR-code voor de Nederlandse poortjes en keek beduusd naar z’n display. Met zijn ouderwetse stempel volgde hij, met een gezicht dat verwarring trachtte te verbergen, het voorbeeld van de andere Poolse conducteurs.

Maar hoe onbekend kan deze decennia oude, Europese traditie nu helemaal zijn onder de conducteurs? Misschien verklaarde het volgende wel het één en ander.

Bij m’n treinkaart zat een lijst waarop ik elke trein moest bijhouden, opdat die naar een Nederlands antwoordnummer terug kon worden gestuurd om bepaalde spoorwegmaatschappijen te overtuigen van het feit dat ze vooral door moesten gaan met Interrail. Ik zou mezelf graag opwerpen als een pleitbezorger, een ambassadeur wellicht, van Interrailreizen. Het zou op veel andere continenten een waardeloos concept zijn – de treinen rijden niet langer in Midden- en Zuid-Amerika, te weinig in Noord-Amerika, nauwelijks in Afrika, niet naar genoeg steden in Australië – maar in Europa is de trein bij uitstek het vervoermiddel om overal te komen. De trein, notabene een Europese (Britse) uitvinding, verbindt ons continent. We hebben er het landschap en de bevolkingsdichtheid voor. Jazeker, de romantiek van het spoorvervoer – de conversaties, het aambeeldgekleng van de koppeling, het voorbijtrekkende landschap, de muffe geur van oude slaaprijtuigen, het gastheerschap van de conducteur – is onderhevig aan de tand des tijds. Nachttreinen maken plaats voor hogesnelheidstreinen, er zijn steeds minder Eurocitytreinen (in Nederland al helemaal niet meer), locomotieven zijn er bijna alleen nog maar voor vrachttreinen, de stationsborden zijn steeds vaker digitaal, voor de ouderwetse romantiek moet je naar Roemenië of haar buurlanden. Is dit eeuwig zonde? Ach, je houdt de technische revolutie niet tegen. Maar wat is het nut van Interrail als je niet meer enthousiast op een willekeurige trein kunt stappen? In Polen moest ik voor elke intercity reserveren, tenzij ik op een regionaal boemeltje zou stappen. Ik had helemaal geen zin om steeds in de rij voor dat loket te gaan staan, dus dan maar die boemels.

Maar voor de urenlange rit naar Katowice was zo’n boemel, met het comfort van een GVB-metro, natuurlijk geen optie. Ik vroeg aan de Engels sprekende receptioniste van Hotel Kamienica of ze wist hoe ik het reserveren van een intercity het beste kon aanpakken, gezien de taalbarrière.

“De website,” zei ze. “Er is gratis Wi-Fi in het hotel.”

“Ik reis met een oude telefoon,” zei ik. Dat ik mezelf überhaupt nog niet had overgegeven aan het verslavende apparaat, waar zo’n beetje elke trein-, bus- en metropassagier z’n neus in parkeerde, deed er niet toe.

“Dan op het station,” zei ze. “Of ik kan het hier voor je doen op de receptiecomputer.”

Maar dat was natuurlijk niet de bedoeling. Ik schreef in het Engels in m’n notitieboekje op wat ik nodig had en liet de receptioniste daaronder de Poolse vertaling schrijven. Op het station trof ik een baliemedewerkster die geen Engels sprak, maar dankzij de Poolse tekst al snel een reservering – gratis – in m’n handen duwde voor de intercity naar Katowice van 8:33 uur.

Siedlce ligt niet ver van Warschau vandaan, en ieder ander had waarschijnlijk de hoofdstad – die volgens Monika prachtig was – verkozen door nog even een uurtje door te treinen, maar mijn voorkeur was uitgegaan naar het kleinschalige. In een hotel met zestien kamers deed men niet moeilijk over vooruitbetalingen en credit cards; de verhuur van zalen waardoor gasten tot vier uur ’s nachts hun bed uit gebonkt werden was qua capaciteit niet eens mogelijk; de service was persoonlijk – toen een gast na 18:00 uur kwam vragen waar hij nog bloemen kon kopen voor z’n vrouw en alles in de buurt gesloten was, gaf de hoteleigenaar hem een lift naar een verderop gelegen bloemenzaak.

’s Ochtends, bij het ontbijt, bekeek ik nog eens m’n reservering om te zien of ik m’n zitplaatsnummer kon vinden. In het hotel spraken ze immers Engels. Tot m’n ontsteltenis zag ik nu dat de reservering was gemaakt voor de trein van 8:33 uur uit Warschau. Dat zijn van die momenten dat je diep zucht en moet dealen met een onverwachte, nieuwe realiteit.

Normaal gesproken zou dit geen probleem zijn, maar de dame achter het loket – een andere dame, dit keer – schudde haar hoofd na het lezen van de Poolse vertaling. Ik liet haar ter verduidelijking m’n interrailticket zien, waarop ze reageerde door een furieuze tirade af te steken. De vrouw hanteerde het stemgeluid van de lompe, kortzichtige boer die boerenkool met jus verwachtte, maar voor het eerst in z’n leven een bord chicken tandoori krijgt voorgeschoteld door z’n progressieve vrouw. Met andere woorden: ze was niet bekend met het Interrail-concept.

“Warschau,” zei ze en schoof het ticket weer terug door het luik in het loketraam. Ze riep over de glazen schotten, die de balies aan de andere kant verdeelden, dat ik een ‘interline’-kaart had.

“Interrail,” benadrukte ik. “Intercity?”

Er vertrok een intercity om 9:14 uur naar Warschau, en van daaruit kon ik naar Katowice.

“Warschau,” zei ze nogmaals. En ze meldde weer over de glazen schotten dat hier iemand stond met zo’n raar interline-ticket.

“Interrail!” verduidelijkte ik met luide stem.

Ze schudde haar hoofd – m’n ticket was geen geldig vervoerbewijs, of zoiets.

Tak!” riep ik met een vuurrood gezicht.

Nie!” En ze wuifde me weg. “Warschau.”

Deze vrouw was het prototype van de hopeloze misbaksels die God her en der op m’n levenspad heeft gedeponeerd. Dat haar werkgever participeerde in een Europees concept kon haar dan wel vreemd zijn, maar ze vertrouwde dusdanig op haar kennis, ongetwijfeld opgebouwd tijdens vele trouwe dienstjaren, dat m’n Interrailticket simpelweg geen onderdeel van het arsenaal vormde. Door m’n afhankelijkheid van deze dame, haar pertinente weigering, de gigantische taalbarrière en m’n gevoel dat ik de mogelijkheden had uitgeput, restte me weinig anders dan het boemeltje van 9:29 naar de hoofdstad te nemen.

Hoewel ik er zelf natuurlijk niet bij zou zijn, verheugde ik me al op het gesprek dat zou plaatsvinden als de middagshift de dames van de ochtend kwam aflossen:

“Ik had me vanmorgen toch een rare snuiter voor m’n neus staan. Hij gaf me een notitieboekje met daarin het verzoek om een reservering voor de intercity naar Katowice. Hij had iets van een interline-ticket bij zich, één of ander vodje in het Engels, en hij wilde me doen geloven dat het geldig was in Polen. Ha! Het idee, zeg!”

“Een interrailkaart, schat. Ik had gisteren ook een buitenlander met z’n boekje en heb hem een reservering voor de trein van Warschau naar Katowice meegegeven. Interrail is een heel legitiem vervoerbewijs.”

“Oh, ja?”

“Wel toevallig dat er twee keer dezelfde vraag langs komt, twee keer hetzelfde soort boekje… Och hemeltje, hoe laat was hij hier?”

“Even voor halfnegen.”

“En ik heb hem een reservering voor de trein van 8:33 uur uit Warschau gegeven… Geen wonder dat hij een nieuwe nodig had! En jij hebt hem die geweigerd, trut!”

Maar tegen het einde van de ochtend zat ik aan een McDonald’s-lunch op het centraal station van Warschau, met een (gratis) reservering naar Katowice op zak voor de trein tussen Warschau en Vienna Hauptbahnhof. In het Intercity Service Centre had men zelfs op een televisiescherm geadverteerd voor interrailkaartjes en enigszins moedeloos het hoofd geschud toen ik vertelde dat hun collega in Siedlce niet bekend was met Interrail.

* * *

Ik had een zespersoonscoupé voor mezelf. De trein was stukken beter dan al die moderne dieseltreintjes bij elkaar. Dat is vaak het geval met ietwat oudere treinen. Een paar stemmen kwamen mijn kant op. “Nee,” mompelde ik. Ik wilde deze comfort in rust beleven – onderuitgezakt, lezend, schrijvend, uit het raam starend, ongestoord. Een knap meisje met een sporttas liep voorbij. “Nou goed, jij bent altijd welkom.” Tot m’n verbazing kwam ze inderdaad weer terug en opende de coupédeur.

Dziendobre.

Dziendobre.”

Ze begon te ratelen in het Pools.

“Sorry,” onderbrak ik haar, “geen Pools.”

Zonder enige aarzeling zei ze in het Engels: “Ik ging naar m’n zitplaats, maar er waren dames met allemaal etenswaren die weigerden me te laten plaatsnemen. Ze zeiden: ‘Nie,’ dus toen ben ik maar op zoek gegaan naar een andere zitplaats.”

“Maar je had toch een reservering?”

“Ja, maar PKP is een monopolist. Ze kunnen doen wat ze willen.”

Het meisje plaatste haar sporttas in het bagagerek boven haar en deed haar jas uit. Even keek ze in het spiegeltje en wreef over haar mond. Ze trok haar trui uit en legde deze met haar jas in het bagagerek naast de sporttas. Haar bovenrug was ontbloot door een diepe inkeping in haar shirt. Ze was prachtig slank en had, ondanks de jeugdige uitstaling door haar beugel, een intelligente blik in de ogen. Er werd het één en ander omgeroepen via de intercom. Eerst in het Pools, daarna in het Engels. Iets over een gratis snack.

“Een gratis snack,” zei ik. “Dat gebeurt niet vaak in de trein.”

Ze ging weer zitten. “Nou, ze noemen het een gratis snack, maar de laatste keer was het een flesje water.”

Ik schoot in de lach om haar ridiculiserende toon.

“Daarom denk ik dat er een tweede maatschappij zou moeten zijn die intercitytreinen laat rijden, zodat ze bang worden om minder winst te maken en de service gaan verbeteren. Het enige dat hen kan schelen is geld.”

Ze was onderweg naar het huwelijk van haar grootmoeder, dat vandaag zou worden voltrokken. De vrouw was 64 jaar oud, zei ze.

“Je hebt een jonge grootmoeder. En je moeder moet ook nog jong zijn.”

“Zij is 43. Ik ben 21.”

“Dus ze was 22 toen jij geboren werd. Is het nu jouw beurt?” plaagde ik.

“Dat was een ander tijdperk. Maar ik wil geen kinderen.”

“Je bent nog te jong,” stemde ik in. “Eerst moet je leven.”

“Nee, ik wil geen kinderen op deze wereld zetten. Er zijn teveel problemen en oorlogen. Ik had geen keuze, maar als ik moest kiezen tussen leven en niet leven, zou ik ervoor kiezen om niet te leven.”

Het karretje met de gratis snack kwam voorbij. De jongedame schoof de deur open en bood ons ieder een flesje water aan.

“Zei ik toch? Water als een gratis snack!”

“Die monopolies bestaan overal,” zei ik. “De Deutsche Bahn is de enige met intercitytreinen in Duitsland, er is slechts één maatschappij in Nederland. Oh, trouwens,” herinnerde ik me plotseling, “in Italië zijn er wél twee maatschappijen.”

“En, is het daar beter?”

“Volgens de verhalen wel.”

Ze kwam eigenlijk uit Tychy, maar ging naar school in Warschau. Ze studeerde “houttechnologie.”

“Timmerwerk?” vroeg ik.

“Het maken van dingen als meubels.” Ze beschreef het: het ging hier niet om het soort open boekenkast dat ik met wat planken en spijkers in elkaar zou hameren. Dit was technisch, met hout.

“Na mijn school, over vier jaar, wil ik voor vijf jaar naar Noorwegen. Met mijn opleiding kan ik daar een goede baan krijgen. Ik leer ook al Noors.”

“Dus je spreekt al wat Noors?”

Jeg snakker Norsk, litt.

Du snakker litt Norsk?

Ja. Jij ook?”

“Zoals jij – een beetje. Ik heb daar gewerkt. Heb je een leraar?”

“Dat wil ik wel, maar het is altijd via Skype of de computer. Ik houd niet van computers. Ik wil een echt persoon.”

Dit meisje intrigeerde me steeds meer: een 21-jarige die niet van computer houdt! “Eén op één is het beste, inderdaad,” zei ik. “Door met één persoon gericht te praten kun je een taal snel onder de knie krijgen.”

“Precies.”

“Ga je alleen naar Noorwegen?”

“Met m’n vriend. Hij houdt niet van koude landen en wilt naar een warm land, dus ik heb tegen hem gezegd dat als hij met een beter plan op de proppen komt om geld te verdienen, we zijn plan uitvoeren. Maar ik weet dat hij met niks beters op de proppen zal komen, dus gaan we samen naar Noorwegen. Maar ik heb wel alleen gereisd. Met autostop.” Ze keek even onzeker. “Ken je ‘autostop’?”

“Natuurlijk. Ik heb dat in Chili gedaan. Maar dat deed je dus alleen?” vroeg ik op een haast bezorgde toon.

Ze moest lachen om deze bekende, saaie retoriek, en ze had nog gelijk ook. “Iedereen zegt dat het gevaarlijk is, helemaal voor een meisje alleen, maar ik ben nooit in de problemen gekomen.”

“Mooi zo.”

“Okee, één keer. Ik zat in een auto met een heel vreemde gast. Hij praatte over seks en stelde heel rare vragen, maar toen ik zei dat hij moest stoppen, deed hij dat. De volgende bestuurder was weer normaal. Maar dat was de enige keer.”

De trein reed snel en soepel door een steeds glooiender landschap.

“Ik kan niet wachten tot we in de bergen zijn,” zei het meisje, en ze staarde naar buiten. “Mijn overgrootvader heeft een blokhut in het bos gebouwd. Ik ga daar graag heen. Het is er altijd zo mooi en stil.”

“De stilte van het bos kan heel inspirerend zijn.”

“Ben jij creatief?”

“Ik schrijf graag.”

Ze wilde weten wat ik schreef. Ik vertelde het haar.

“Ik schilder graag.”

“Landschappen?”

“Landschappen, en ik heb een fascinatie voor het menselijk lichaam. Ik schilder vrouwelijke lichamen, zonder de kleren.”

“Laat je mensen voor je poseren?”

“Soms. Of ik gebruik een spiegel en schilder mezelf.”

“Een zelfportret…” Ze had er een prima figuur voor. “Is je vriend ook creatief?” vroeg ik.

“Ja, hij schildert ook. Met graffiti. Hij woont in Siedlce, en hij schildert op treinen en muren. Ik ben er een paar weken geleden mee begonnen. Er is een tunneltje waar we wonen, en we gaan binnenkort graffiti op de muur spuiten. Ik hoop alleen dat er geen politie op af komt…” Ze lachte. “Ik heb graffiti bij me in die tas. Misschien schilder ik wel wat als ik in Tychy ben.”

Op een rare manier fascineerde dit meisje me. Ze was een open boek. Maar waren haar verhalen echt? “Heb je foto’s van je landschapsschilderijen?” vroeg ik.

“Nee, ik wis regelmatig het geheugen van m’n telefoon.”

“Juist…”

“Zo praten gebeurt niet vaak,” zei ze. “Mensen zitten altijd op hun telefoon of lezen een boek.”

“Ik heb geen telefoon of een boek.”

Ze gaf me een omhelzing toen ik in Katowice uitstapte.

* * *

Ik zag een hotel genaamd Diamant, en het was gevestigd naast een bouwput. In Peru verbleef ik eens voor een paar euro in een hotel genaamd Diamante en dat betrof een Spartaanse uitvoering van wat men een hotel zou kunnen noemen. Misschien creëerde de associatie tussen beide diamantjes de verwachting dat deze Poolse versie niet duur zou zijn. Maar na het horen van de prijs sloeg ik zo steil achterover dat ik happend naar lucht door de buitendeur de stoep op moest kruipen en omstanders met hun mobieltjes in de hand klaarstonden om het alarmnummer te bellen, terwijl ik naar de dichtklappende deuren wees en nog maar net wist uit brengen: “Honderd euro…!”

Ik bereidde me voor op een lange zoektocht naar iets betaalbaarders in deze stad. Dan maar een stuk minder comfortabel – wie het comfort van thuis elders voor een kruiwagenlading aan geld probeert te dupliceren kan beter thuis blijven.

Maar de luitjes van Hotel Katowice deden het met hun dertig euro per nacht een stuk beter – een nette kamer en een voortreffelijk ontbijt. De locatie was ook niet mis: aan de hoofdstraat, pal bij het stadsplein met de kerstboom en –markt en een uitstekend restaurant genaamd Sphinx, en de bus naar Auschwitz had z’n begin- en eindpunt op het parkeerterrein van het hotel. Zo kan het dus verkeren.

* * *

Er bestaat veel literatuur over de psychische staat waarin Adolf Hitler verkeerde, vol diagnostische termen als narcisme, hystero-psychopaat, minachting van de medemens, vertolker van de Duitse onderbuikgevoelens na het verlies in de Eerste Wereldoorlog. Met recht een beest, maar het beestachtige zit eerder in de finesses van het woord dan in de uiting ervan als krachtterm. De kwelling van de mens is zijn eeuwige strijd tussen dierlijk instinct en verlangen naar gezond, menselijk gebruik van zijn verstand. Het hart wilt dit, maar het verstand zegt dat. Wij zijn dieren met het geestelijk vermogen om het natuurlijk systeem waar wij deel van uit maken te doorgronden. Dit eeuwige conflict neemt alle consistentie weg die bij andere dieren kunnen worden waargenomen – het gedrag van, bijvoorbeeld, alle vrouwtjesleeuwen laat zich op eenzelfde wijze beschrijven als het gedrag van één enkele mens. Je hoeft geen psycholoog te zijn om te begrijpen dat bij Hitler de dierlijke inslag superieur was aan het menselijke verstand. Hierin was hij absoluut niet uniek – iedereen die slachtoffers maakt gedraagt zich als een beest; iedereen die een ander aanvalt, het dierlijke instinct de boventoon laat voeren, doet iets wat het verstand van een buitenstaander te boven gaat. En zeker wanneer die aanval plaatsvindt in het huis of op het grondgebied van het slachtoffer – wanneer de aanvaller een tocht moest maken, tijd moest besteden, om in de omgeving van zijn slachtoffer te komen, en derhalve de tijd had om zich te bedenken alvorens over te gaan tot zijn daad met voorbedachte rade – kan moeilijk worden ontkend dat de geestelijke tekortkomingen van Hitler ook de aanvaller parten hebben gespeeld. Het enige verschil tussen criminele daden is de schaal waarop ze plaatsvinden, en omdat al het andere crimineel gedrag (gedrag dat slachtoffers maakt; dus niet iemand die de wet overtreedt door als voetganger een rood verkeerslicht langs een lege weg te negeren) verbleekt in vergelijking bij de schaal waarop Hitler zijn misdaden liet voltrekken, wordt hij alom gezien als het grootste beest dat de mensheid ooit heeft voortgebracht.

De grootste troost voor een natuurlijk verlies – door ziekte, ouderdom, weersinvloeden – van het eigen leven of dat van een dierbare ligt in het begrijpen van het grotere plaatje – het universum, het natuurlijk systeem, de creatie van God, eender zo u het noemen wilt – en juist daarom is het onverteerbaar wanneer een medemens willens en wetens een einde maakt aan het leven van een ander. Wanneer een vliegtuig neerstort door een storm of een andere vorm van overmacht is dat verschrikkelijk, maar wellicht kan – objectief gezien – zo’n verlies sneller een plekje worden gegeven dan de dood van passagiers die door puur menselijk toedoen om het leven zijn gekomen. Revanchisme wordt algemeen gezien als de aanjager van de Tweede Wereldoorlog – de vergelding voor de inperkende, nadelige verdragen die men gedwongen was te sluiten aan het einde van de  Eerste Wereldoorlog – zoals zoveel oorlogen ook om die reden zijn begonnen – de oorlog in Afghanistan in 2001 (met meer dan 91.000 Afghaanse doden in eigen land), de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (ongeveer 150.000 mensen die in eigen land werden gedood) – en hebben daarmee een puur emotionele grondslag.

“De vernietiging van Polen is van uiterst belang,” zei Hitler. “Gdansk is niet het object waar het om draait. Het object waar het om draait is de uitbreiding van lebensraum voor Duitsers in het oosten. Er kan geen sprake van zijn dat Polen wordt gespaard en daarom staan wij achter onze beslissing om Polen bij de eerste gelegenheid aan te vallen.”

Zie je – lebensraum voor Duitsers in het oosten; het terugnemen van het territorium dat in 1919 door de Verdragen van Versailles naar Polen was gegaan. Wraak. Eerzucht. Emotie. Hebzucht. Maar bovenal emotie. Lebensraum, alsof ze tuintjes wilden aanleggen. De uitspraak van Hitler las ik in Blok 15 te Auschwitz, waar de tentoonstelling The struggle and martyrdom of the Polish nation 1939-1945 op zeer indrukwekkende wijze de plotselinge inval van Polen (en daarmee het begin van de Tweede Wereldoorlog) belicht, alsmede de horrors die het land onderging tijdens de bezetting. De meest veelzeggende foto, die mij nog was bijgebleven van mijn vorige bezoek, tien jaar eerder, toont een rijtje mannen voor het vuurpeloton: de eerste huilt vol wanhoop, de doodsangst staat hen op de gezichten, achter hen liggen reeds doodgeschoten mannen. Vele andere foto’s tonen lijken aan galgen, close-ups van doden met uitgeholde ogen en broodmagere gezichten, bebloede lichamen, de uitbuiting van weerloze mensen. Medemensen. Wist Hitler, die zo lekker lag te pitten onder z’n dak van 8,5 meter gewapend beton, van dit alles?

Alles wat Pools was moest worden vernietigd – de cultuur, de elite, de maatschappij. Heinrich Himmler vond het meer dan genoeg dat een Pools kind tot 500 kon tellen, z’n eigen naam kon spellen en beleefdheid en manieren werden bijgebracht. En Hitler zelf zei op 22 augustus 1939: “Ik houd mijn SS-doodskopeenheden klaar om mannen, vrouwen en kinderen van Poolse komaf en tong te vermoorden, zonder medelijden of genade. Polen zal worden ontvolkt en Duitsers zullen zich daar vestigen.”

Ik struinde tussen de bakstenen gebouwen door.

Het kamp zelf oogde, op het prikkeldraad na, vrij onschuldig. Het zou een militaire kazerne kunnen zijn (wat het oorspronkelijk ook was), een recreatievoorziening gevestigd in oude pakhuizen, een voormalige tuchtschool; maar nee, het was een voormalig slachtterrein van mensen. Ik liep, tezamen met tientallen andere mensen, onder de beroemde slogan Arbeit macht frei door. Verreweg de meeste bezoekers werden van gebouw naar gebouw gesleept door een gids en hadden amper tijd om te kunnen reflecteren op hetgeen zich om hen heen bevond – alsof ze door een dierentuin werden geleid. Ik geloof heus wel dat het handig is om op die manier – en in de eigen taal – geïnformeerd te worden, maar de tentoonstellingen binnen Auschwitz’ hekken zijn zo ongeveer behangen met gedetailleerde beschrijvingen en om alles tot je te kunnen nemen heb je de tijd nodig – om te lezen, om erbij stil te staan, om het tot je door te laten dringen.

Neem dit voorbeeld: uithongering, zo las ik, was één van de meest gebruikte methodes om de gevangenen van Auschwitz te doden. Men kreeg per dag niet meer dan 1.700 kcal te eten, terwijl vaak elf uur per dag gebikkeld moest worden. Vaak hield men het niet langer dan enkele maanden vol. Het inleven in zo’n absurde, onwerkelijke werkelijkheid is lastig. En misschien kwam dit ook wel door de hordes toeristen die er achteloos bij liepen of doordat de foto’s en beschrijvingen zo ontzettend surrealistisch leken dat de hedendaagse Europeaan, die toch een beetje een prinsesje is geworden door alle verworven rechten, welvaart en comfort, automatisch het idee verdringt dat zoiets ooit op het eigen continent heeft plaatsgevonden. Althans, bijna. Bij de Muur des Doods tussen blokken 10 en 11, waar gevangenen door vuurpelotons werden geëxecuteerd, stelde een groep Poolse scholieren zich op rij op voor de muur, een minuut stilte in acht nemend. 

Ik begreep nu wat het meisje in de trein had bedoeld toen ze zei dat je in Auschwitz de aanwezigheid van de dood voelt. Deze geschiedenis leeft enorm in Polen – veel meer dan in Nederland. De Duitsers zagen de Nederlanders als een Germaans volk dat moest verduitsen; de Polen als een Slavisch volk dat moest worden uitgeroeid. Datzelfde meisje had me verteld dat er nog altijd een sterk anti-Duits sentiment heerste.

“We geven de voorkeur aan de Russen,” antwoordde ze desgevraagd. Allicht: de Russen hadden Polen, om met de woorden van het museum te spreken, bevrijd. “Zelfs toen we Duits op school leerden, was er een [mentale] blokkade. We blokkeerden allemaal de taal en onthielden niets.”

Dat de jongste ober in het restaurant, waar ik op m’n eerste avond in Katowice dineerde, meteen in het Engels begon toen een rond, besnord heerschap als een slagschip het restaurant betrad met de openingszin “Sprechen Sie Deutsch?” had daar wellicht iets mee te maken. Maar wellicht ook niet. Alleen na de ervaring van ellende gaat het verstand werken – de Deltawerken kwamen er na de Watersnoodramp, ondanks 110 geregistreerde, kleinere overstromingen die eraan vooraf gingen – en komt de mens met preventieve antwoorden – de Verenigde Naties, de NAVO, maar ook de Europese Unie, de organisatie die treintjes cadeau doet en miljarden in de rondte strooit om de boel eens een nieuwe lik verf te geven. Hoewel de meningen over de EU de laatste tijd steeds negatiever zijn geworden, ingegeven door het sentiment dat landen steeds meer macht en dus soevereiniteit hebben overgedragen aan veelal onzichtbare en gevoelsmatig onbereikbare politici, zou het dwaas zijn om te ontkennen dat de vrede in West-Europa aan iets anders dan intense, naoorlogse economische samenwerking te danken zou zijn. En tegen het exporteren van een bewezen vredesmodel naar Oost-Europa valt natuurlijk weinig in te brengen.

Ik was in Polen na het referendum over de Brexit en de verkiezing van Donald Trump als nieuwe president van de Verenigde Staten, die beiden aan hetzelfde sentiment worden toegeschreven. Er zijn mensen die zeggen dat de opkomst van rechtse, nationalistische partijen een terugkeer kan betekenen naar 1939. Dat is wellicht een vrees van sommige mensen en bovendien een nogal vergezochte uitspraak die bedoelt lijkt te zijn om angst in te boezemen bij de rest, maar dat er ontevredenheid heerst moge vast staan. Helaas is politiek reactionair en is het maar afwachten welk antwoord men hier op gaat geven – belangeloos het ideaal van een Verenigd Europa opgeven is voor vele politici ondenkbaar en ik heb dan ook het vermoeden dat dit sentiment nog even zal doorzetten.

Nee, laat het volk het maar doen. Een dag na Auschwitz vloog ik van Katowice naar Keulen alsof ik van Maastricht naar Groningen vloog – door de afwezigheid van paspoortcontroles – en schoof later op de dag aan bij vier Europese vrienden: een Belgische, twee Duitsers en een Nederlander. Vier heerlijke mensen en normaal gesproken heel vanzelfsprekend, maar een dag na Auschwitz voelde het monumentaal. We leven in goede tijden, in het tijdperk van een nieuw Europees verhaal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s