In Vietnam: Met 100cc van Saigon naar Hanoi (Het eerste hoofdstuk)

Vele duizenden backpackers in Vietnam doen het: een motor van 100cc kopen en ermee van noord naar zuid of van zuid naar noord reizen. Er is dan ook een levendige handel in de Honda Win-motoren, die volop te koop staan in het oude stadscentrum van Hanoi en het Backpacker District van Saigon. Met een motor beleef je op een avontuurlijke en vrije manier het schitterende Vietnam zonder de beperkingen van vertrektijden of van tevoren geboekte hotels.

Voor iedereen die van plan is deze reis te gaan maken, al begonnen is met motorrijden of de reis al gemaakt heeft, is er het boek In Vietnam: Met 100cc van Saigon naar Hanoi. Het is het enige Nederlandstalige boek over deze must onder de backpackers in Vietnam. Een heerlijk verhaal, met vaart en humor geschreven, dat je achterop een Honda Win meeneemt van Saigon naar Hanoi door het magistrale landschap van dit mysterieuze Aziatische land.

Hierbij alvast het eerste hoofdstuk. Ga er maar eens goed voor zitten, want deze long-read bestaat uit bijna 6.000 woorden. Veel leesplezier!

HOOFDSTUK EEN
DE EXCURSIE NAAR HO CHI MINH STAD

De machtige Mekongrivier is niet zozeer een ondoorzichtige rivier als wel een 4.909 kilometer lange levenslijn die in het Tibetaanse Hoogland in de Chinese provincie Qinghai ontspringt en zich via Myanmar, Laos, Thailand en Cambodja een weg baant naar de Mekong Delta in Vietnam. Wat begint als een piepklein stroompje smeltwater op de noordflank van de Guasangmuchaberg, al snel samen komt met andere ijzige stroompjes en onderweg vaak van naam verandert, wordt uiteindelijk een rivier van welhaast ongekende proporties die het leven schenkt aan flora, fauna en vele culturen voordat hij uitmondt in de Zuid-Chinese Zee. Tientallen miljoenen mensen zijn van de Mekongrivier afhankelijk voor hun levensonderhoud en in Phnom Penh, waar ik me bevond, functioneerde de rivier ook nog eens als de natte droom voor projectontwikkelaars met plannen voor hotels, theaters en kantoorgebouwen; de meest geweldige projecten stonden gepland of waren al in aanbouw langs de rivieroever, maar wat de status ook was, ze werden altijd glorieus aangekondigd op enorme borden in zowel het Khmer als het Engels.

Na mindere tijden stroomde het geld nu Cambodja in als de wateren van de Mekongrivier: China bouwde bruggen en Japanse bedrijven zagen enorm potentieel in hun rol als buitenlandse investeerders. Als blanke man kon ik ook het verschil zien tussen de economische status van Phnom Penh en de rest van het land. In het van toeristen afhankelijke stadje Siem Reap, bijvoorbeeld, waar ik een bezoek had gebracht aan de eeuwenoude ruïnes van Angkor Wat, raakte ik behoorlijk geschift van de lokale bevolking: hoeren die m’n ballen grepen om me van hun kunnen te overtuigen en tientallen tuktuk-chauffeurs die naar me toeterden om me een dagtrip naar Angkor te verkopen (uiteindelijk ging ik in zee met een chauffeur die in zijn tuktuk lag te slapen). Wandelen door Phnom Penh leidde niet tot zulke scenes; integendeel, ondanks de opvallende fysieke en taalkundige verschillen, voelde ik me een deel van de bevolking.

De sfeer in Phnom Penh was vredig en plezierig. Een goed onderhouden boulevard, de Preah Sisowath, voerde langs de samenvloeiing van de twee rivieren. Verkopers hadden de bankjes in marktkramen veranderd en koning Norodom Sihamoni regeerde vanuit het Koninklijk Paleis over zijn zonnige koninkrijk. Eén van de redenen waarom ik deze stad zo plezierig vond, was waarschijnlijk vanwege het feit dat de lokale bevolking gewend leek te zijn aan de aanwezigheid van Westerlingen – ik was hier geen vreemd verschijnsel. Buitenlandse werknemers, naar horen zeggen veelal mensen zonder enige kwalificaties die zichzelf leraar Engels noemden en werk hadden gevonden op één van de vele scholen, liepen hier in groten getale rond.

Nabij de samenvloeiing van de Tonle Sap en de Mekong, in de schaduw leunend tegen een Boeddhistisch heiligdom, aanschouwde ik een vreemd fenomeen. Handelaren verkochten gekooide vogels aan andere Cambodjanen, en de kopers lieten die vogels vrij door de kooi te openen. Elke zwerm vloog uit over het modderbruine water van de Tonle Sap, waarmee ze de kopers goede karma bezorgden, en keerde terug naar hun voederplaatsen voor de volgende ronde. Het werd gecoördineerd vanuit een klein tempelachtig gebouwtje en mannen in uniformen zagen toe op een correct verloop.

Ik zou hier nog enkele dagen doorbrengen alvorens naar Vietnam af te reizen, waar ik met een vriend uit m’n woonplaats Hoorn per motor van Ho Chi Minh Stad naar Hanoi zou rijden. Ik verbleef in een guesthouse, waar de enige andere gast die ’s avonds laat nog wakker was, een andere Nederlandse reiziger bleek te zijn. We praatten gezellig over reizen als merkwaardig fenomeen – de vrijheid, het budgetteren, de intensiteit, de heimwee, de persoonlijke groei – toen Keo, de 19-jarige nachtreceptionist, zijn schoonmaakwerkzaamheden had verricht en spontaan bij ons aan tafel kwam zitten. Hij wilde zijn Engels met ons oefenen, zei hij, want als je Engels sprak, vergrootte dat je kans op beter werk, een hoger salaris en daardoor een beter leven. We zetten het gesprek voort met simpele Engelse woorden, zonder afkortingen, met duidelijke uitspraak. Ik zei dat ik voor de volgende dag een tuktuk had gehuurd om me naar Choeung Ek te brengen.

Keo zei: “Mijn grootvader is vermoord op zo’n veld.”

Choeung Ek was één van de zogenaamde Velden des Doods – een massavernietigingskamp van de Rode Khmer. Het was het Auschwitz van Phnom Penh, een soort toeristische verplichting, maar dat vrijblijvende karakter was er nu plotseling af. En toch had Keo het gezegd alsof het een simpel feitje betrof. Een cirkel is rond. Een kubus is vierkant. Zijn grootvader is vermoord door de Rode Khmer. En dus? Voor Keo was het misschien ook wel een simpel feitje; hij was ten tijde van de gebeurtenissen nog niet eens geboren.

“Ben je ooit naar het Veld des Doods geweest waar je grootvader is vermoord?” vroeg ik.

“Nee.”

De andere Nederlander vroeg: “Ondernemen de scholen dan geen schoolreisjes naar de Velden des Doods?”

“Daar is geen geld voor.”

“Ben je überhaupt ooit naar een Veld des Doods geweest?” vroeg ik.

“Nooit.”

“Wil je morgen met me mee?”

“Graag.”

De volgende ochtend om tien uur klom ik achterin een tuktuk met een Cambodjaanse tiener die nog nooit de overblijfselen van de recente horrorgeschiedenis van zijn eigen land had gezien. De Rode Khmer was een rebellengroep die in de jaren 1960 vanuit het Cambodjaanse oerwoud opereerde. Hun streven was het stichten van een communistische maatschappij. Toen prins Norodom Sihanouk door zijn eigen leger werd afgezet tijdens een staatsgreep, wendde hij zich tot de Rode Khmer. De rebellen waren best bereid om hem te helpen, want dit gaf hen de kans om zich te profileren als een vredelievende groepering. En aldus begon een burgeroorlog, welke uiteindelijk werd gewonnen toen de Rode Khmer bezit nam van Phnom Penh op 17 april 1975.

Hun verborgen agenda zag enkele dagen later het levenslicht. De eerst stap was het ontdoen van de steden van inwoners en enkele miljoenen mensen naar het platteland te dirigeren om daar op boerderijen te werken, om zo te komen tot hun ware doel: het stichten van een puur agrarische samenleving. Dit betekende dat scholen, banken, geld, openbaar vervoer, instituties en alles dat men als buitenlands beschouwde, werden verboden. En de Rode Khmer was paranoïde. Iedereen die als een bedreiging voor het ideaal werd gezien, en dus niet puur was, werd vervolgd (lees: geëxecuteerd). Als je verminderd zicht had en een bril droeg, was er een redelijke kans om doodgeknuppeld te worden met een botte bijl. Mensen met brillen werd namelijk beschouwd als geleerd. Elke intellectueel, onderlegd individu, soldaat van het vorige regime en zelfs mensen die zich hadden verenigd in een groep van minstens drie personen werden gezien als bedreiging, een gevaar voor het ideaal van een samenleving waarin mensen alleen maar op het platteland mochten werken om het voedsel te produceren dat ze te eten kregen.

Zulke moorden vonden plaats op de Velden des Doods, waarvan Choeung Ek tegenwoordig het bekendst is. Omdat de Rode Khmer geen geld had en niet aan munitie kon komen, gebruikten ze alles wat maar bruikbaar was voor het vermoorden van de mensen binnen deze kampen. Een goede klap met een schep werkte immers ook. Nadat een miljoen mensen waren vermoord, werden de Cambodjanen bevrijd door de Vietnamezen op 7 januari 1979.

Ik vond de volgende informatie op Wikipedia: ‘Cambodja heeft een zeer jonge populatie en in 2003 was driekwart van de Cambodjanen te jong om zich het tijdperk van de Rode Khmer te herinneren. Toch wordt ook deze generatie geraakt door de trauma’s uit het verleden. Leden van deze jonge generatie leren alleen over de Rode Khmer door verhalen van hun ouders en ouderen. Dit komt gedeeltelijk doordat de regering het scholen niet verplicht stelt om over de capriolen van de Rode Khmer te onderwijzen.’

Die laatste zin verbaasde me en het voelde daarom juist dat Keo met me mee ging. Bij Choeung Ek stapten we uit de tuktuk en liepen naar de toegangspoort. Als Cambodjaan kon Keo gratis naar binnen, terwijl ik, de buitenlander, vijf dollar moest betalen. Ik kreeg een draagbare audiospeler en hoefde alleen maar op een knop te drukken als ik een plek had bereikt waar de te beluisteren informatie relevant was. Keo kreeg geen audiospeler.

Ik wendde me tot het loket en vroeg: “Mag hij er ook eentje?”

“Nee, want hij betaalt niet.”

“Hij hoeft toch niet te betalen?”

“Nee, dus krijgt hij ook geen audiospeler.”

Maar op het bord stond dat de informatie op de audiospeler ook in het Khmer beschikbaar was. “Hoeveel?”

“Eén dollar.”

En zo liepen Keo en ik een park in dat heel vredig leek, met zijn decoratieve stoepa, zandpaadjes, jonge bomen en zelfs een eendenvijver. Als je niet beter wist, zou je het je bijna spijten dat je de picknickmand bent vergeten. Er is weinig over van de verschrikkingen die hier hebben plaatsgevonden; en ondanks alle borden en gesproken verhalen op de audiospeler was het moeilijk om je voor te stellen wat zich hier nu precies heeft afgespeeld. Maar het was natuurlijk allemaal echt. Mocht iemand nog enige overtuiging behoeven: na regenval waren de botten zichtbaar in het zand.

Toen dit kamp nog in gebruik was, mocht niemand buiten de muren ervan weten, zelfs niet als middel om de Cambodjanen nog meer te onderdrukken. Het werd omringd door platteland; en de mensen die op de velden werkten, werden waarschijnlijk helemaal gek van de luide muziek die over de muren heen schalde. Maar de muziek werd niet gespeeld ter vermaak (entertainment was nu eenmaal niet puur), maar om het geschreeuw van de slachtoffers te verdoezelen. Deze slachtoffers werden met vrachtwagens aangeleverd vanuit de Tuol Sleng-gevangenis in het centrum van Phnom Penh en bij aankomst geëxecuteerd. Hun lichamen werden daarna overgoten met een chemisch goedje, en wel om twee redenen: om mensen te laten sterven die levend begraven waren en om de lijkengeur tegen te gaan.

We wandelden van plek naar plek, luisterend naar de verteller. Ik hield een oogje op Keo om te zien hoe hij reageerde. Hij ging compleet op in wat hij hoorde. Als het waar was dat scholen nooit in detail traden over hetgeen zich op deze Velden des Doods had afgespeeld, dan was hij nu misschien wel voor de eerste keer in zijn leven waarlijk blootgesteld aan de realiteit die zijn grootvader heeft moeten ondergaan. Dat alleen al maakte deze ervaring voor mij veel indrukwekkender dan wanneer ik hier in mijn eentje had rondgelopen.

Tijdens de eerste drie luisterplekken stonden we nog bij elkaar, maar de vertellingen in het Khmer en het Nederlands verschilden in lengte en we splitsten op, tot we elkaar weer zagen bij de Moordboom. Ik drukte op de knop en hoorde de stem vertellen hoe baby’s (baby’s!) bij de benen werden gepakt en net zolang met hun gezichten tegen de stam van deze dikke boom werden geslagen tot ze dood waren. Een baby in Cambodja werd geboren uit pure moederliefde, maar vermoord uit de idealistische moederlandsliefde van een geschifte groep mensen. De tour eindigde bij de stoepa, waarin negen houten verdiepingen waren gevuld met schedels. Elke schedel had een barst door die klap met de botte bijl of schep; sommige schedels hadden zelfs een gat.

Op de terugweg naar Phnom Penh zat Keo in zichzelf gekeerd. Opeens keek hij me aan, alsof hij erover wilde praten. Hij zocht naar de juiste woorden; zijn zeer beperkte kennis van het Engels zorgde voor een taalbarrière. “Ik…” zei hij. “Ik vraag…” en hij zocht opnieuw naar woorden, maar alles wat hij zei was: “Hoe?”

Meer kon hij niet zeggen, en dat was prima, want dit behoefte geen verder commentaar. Hoe kon je… En Pol Pot, de man die dit allemaal had uitgedokterd in zijn hoedanigheid als leider van de Rode Khmer, zei op zijn sterfbed: “Ik moet jou vertellen, dat ik niet meedeed in het gevecht om de mensen te vermoorden. Zelfs nu, kijk naar me: zie ik er gemeen uit? Helemaal niet! Ik heb een schoon geweten. Daar ben ik heel duidelijk over.”

Het meest in het oog springende detail van deze hele geschiedenis was, wat mij betreft, dat hoewel de Rode Khmer aanvankelijk ondersteuning ontving van het Noord-Vietnamese leger, het niet veel later ook de Vietnamezen (nu verenigd) waren die een einde maakten aan het moorden, en dat de Amerikanen en de Britten het voorstel van Vietnam om Cambodja over te laten aan een nieuwe regering zonder vertegenwoordiging van de Rode Khmer afwezen. De westerse bondgenoten wilden de Rode Khmer – ondanks dat ze naar verluidt op de hoogte waren van de massamoorden die deze groep uitvoerde – deel laten uitmaken van de nieuwe regering. De enige uitzondering is Zweden, waar het volk eiste dat hun regering de Rode Khmer niet langer zou steunen.

Het volk van Cambodja leek mij, ondanks de recente geschiedenis, gelukkig en veerkrachtig. En dat maakte me nieuwsgierig naar de mensen die hen hadden bevrijd: hun buren, de Vietnamezen. Ook die hadden veel ellende doorstaan, en in hun geval was het altijd van buitenaf gekomen – de Franse kolonisatie, de Amerikaanse bezetting, de Chinese bemoeienissen. Maar elke dreiging werd, koste wat kost, de kop ingedrukt, en ik voelde een onweerstaanbare drang om Vietnam te verkennen en het land en haar geharde inwoners te leren kennen, geholpen door de vrijheid van een eigen motor.

Om naar Vietnam te reizen moest ik eerst terug naar de rivier. Ik had namelijk een excursie geboekt: eerst per boot, die me naar een klein stadje pal over de Vietnamese grens zou vervoeren, daarna per bus verder naar Ho Chi Minh Stad. De toerboot verliet langzaam, elegant glijdend door het water van de Mekong, de stad. Maar plotseling, tien minuten na de afvaart, trok de stuurman het gas open en voeren we met een behoorlijke snelheid het platteland binnen.

De relevantie van het water als primaire levensvoorwaarde was meer dan ooit zichtbaar: de rivier was nu een echte levenslijn. Hier en daar wasten mensen zichzelf of baadden ze hun waterbuffels. De vissers werkten vanuit lage, houten bootjes of stonden tot hun middel in het water met een net. Er waren drijvende huizen van golfplaat, kleine vrachtbootjes van hout. En toen was er opeens een enorme, betonnen pilaar in het midden van die brede rivier, waar twintig bouwvakkers werkten aan dit belangrijke element van de brug, die vele levens stukken gemakkelijker zou maken. Van deze sneak-preview van wat moderne tijden zouden brengen, ging het direct terug naar het land waar de tijd stil leek te staan – huizen op palen, naakte kinderen die in het rond spatten, vrouwen die de afwas deden. Azië was de voorstelling, de Mekongrivier het theater en onze acht meter lange passagiersboot de stoel van waaruit we alles aanschouwden.

Het kleine groepje aan boord bestond uit drie Nederlandse backpackers, een Canadees stel, een Vietnamese toerist en een mysterieuze latino, die, zonder enige interactie met zijn medepassagiers, vanachter zijn zonnebril genoot van de reis. Ik was de vierde Nederlander op de boot, maar de andere drie hoefden dat niet te weten, en ik volgde het voorbeeld van de latino: ik hield me afzijdig en keek naar het landschap.

Drie van de vijf bemanningsleden zaten in de kajuit, op de passagiersstoelen, en één van hen maakte van de gelegenheid gebruik om te slapen met zijn benen over het gangpad. De steward en de stuurman waren de enige twee bemanningsleden die werkten. De steward kwam zo nu en dan het achterdek op, waar ons groepje genoot van de koele bries in een heet en vochtig klimaat, om te vragen of we iets nodig hadden of om informatie met ons te delen. Zo’n tien minuten voor de grens was er weer zo’n gelegenheid en hij vertelde dat we hem een dollar moesten geven. “Vijftig cent voor de Cambodjaanse douane en vijftig cent voor de Vietnamese douane.”

“Ik heb al achtenvijftig dollar betaald voor mijn Vietnamese visum,” zei ik. “Waar is dit voor?”

“Dit is voor het oversteken van de grens.”

De andere passagiers gaven hem gehoorzamend een dollarbiljet. Toen kwam hij weer naar mij toe om het geld op te halen. Ik gaf de steward een dollar en hij verdween in de kajuit. Niet veel later stonden de jongens, die tot nu toe niks te doen hadden gehad, op en hielpen met het aanmeren bij de Cambodjaanse grenspost, dat verscholen lag achter een rij bomen en een lemen muur. Een vervallen, kleine politieboot lag in de modder en er werkte maar één douanier, die gehaast zijn overhemd aandeed op het moment dat wij met onze nieuwsgierige gezichten door de poort naar binnen liepen. We moesten voor een betonnen schuur met twee vensters in de rij staan terwijl de douanier ons uit stempelde.

Niet veel verder meerden we aan bij de Vietnamese douanepost. Dit keer betrof het gebouw een opvallend, drijvend bouwwerk met een dak in de vorm van een golf dat, zoals alle bouwwerken op de Mekong die niet op palen stonden, met het waterniveau mee kon bewegen. Politieboten lagen klaar voor onmiddellijke actie. De douaniers namen onze paspoorten in en verwezen ons naar de wachtruimte, waar zich ook een eetzaal bevond. Een dame bij de deur reikte menukaarten aan. Ik kocht een fles water en stapte het terras op om een sigaret te roken. De latino stond er ook, nog steeds iedereen negerend, maar duidelijk genietend van het uitzicht over de Mekongrivier. Ik draaide me om en keek door de open deur de wachtruimte in. De drie Nederlandse backpackers nuttigden een maaltijd nabij het Canadese stel en de Vietnamese toerist. Het zag eruit als varkensvlees met zoetzure saus en gestoomde rijst, maar het had van alles kunnen zijn. Zoetzure hond. Zoetzure kat. Zoetzure rat. Wie zei eigenlijk dat het zoetzure saus was? Het kon van alles zijn. Bitter. Zout. Ronduit smakeloos. Ik wist bijna nooit wat mensen nu precies verorberden in Zuidoost-Azië.

Het landschap veranderde niet na de grensovergang, maar het aantal huizen op palen steeg, evenals het aantal drijvende hutten en houten bootjes, die vaak gedecoreerd waren met heldere kleuren en geschilderde draken op de boeg. Vrouwen stonden in kleine bootjes, die ze voortduwden met lange palen, de vrede-verstorende golven van onze motorboot negerend. In hun bootjes lagen groenten en soms deden ze zaken met een ander klein bootje: goederen en geld wisselden van eigenaar voordat hun wegen zich weer scheidden.

De vaartocht duurde zo’n vijf uur en eindigde bij een drijvend hotel in Châu Đốc, een stad met meer dan 110.000 inwoners, niet ver van de grens en ongeveer 250 kilometer ten westen van Ho Chi Minh Stad. Terwijl ik vanaf het schip de gemeenschappelijke ruimte van het hotel instapte, waar een bar, pooltafel en tafels en stoelen stonden, merkte ik dat de latino de eerste passagier was die incheckte bij de ‘receptietafel.’ Dat was letterlijk wat het was: een eettafel waar een jongen achter zat. Ik gaf deze receptionist mijn paspoort en zag tot mijn ontsteltenis dat hij die in hetzelfde doorzichtige mapje liet verdwijnen als het Mexicaanse paspoort van de latino. Op het mapje zat een sticker met een ‘1’ erop, dat natuurlijk verwees naar hotelkamernummer 1.

De receptionist zei: “Uw kamerpartner heeft de sleutel al.”

“Wat handig.”

Hij verwees me naar kamernummer 1.

De Mexicaan kwam net met een fototoestel die kamer uitgelopen en keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Moeten we de kamer delen?”

“Ik ben bang van wel,” zei ik. “Hopelijk alléén de kamer.”

“Ja, er staan twee bedden. Ik heb het linkerbed genomen; neem jij maar dat rechterbed.”

“En de twee vreemdelingen die één kamer delen, delen ook de enige sleutel,” zei ik.

De Mexicaan gaf me de sleutel. “Ik blijf nu in het hotel. Wat doe jij?”

“Juist.” Ik gaf hem de sleutel terug. “Ik ga op verkenning.”

“Ik ga straks pas. Als ik wegga en jij bent nog niet terug, geef ik de sleutel wel aan het personeel.”

“Klinkt goed. Nou, tot straks.”

“Tot straks.” En hij stapte opzij om mij door te laten.

Ik deponeerde mijn tas op het onbezette bed en liep terug naar de gemeenschappelijke ruimte, waar mijn mysterieuze kamergenoot nu foto’s zat te maken van de dames die in hun kleine bootjes op de Mekong stonden. Ik vroeg bij de receptietafel om een stadsplattegrond en betrad de loopplank naar de straat.

Châu Đốc’s centrum was, volgens de kaart, naar rechts, en dan linksaf aan het einde van de boulevard. Ik passeerde een luxe hotel en liep over de glimmende tegels van de boulevard, langs een kleine speeltuin, en keek naar het prachtige uitzicht over de rivier met een breedte van enkele honderden meters en het begin van een zijtak. Dit grote wateroppervlak leek op een klein meer en tweehonderd meter van de oever was een drijvend dorp van huizen met houten steigers en muren en daken van golfplaat.

Maar ik zou later wel van het uitzicht genieten, want nu had ik vooral honger. Ik stak de weg over en wandelde door wat men een stadscentrum zou kunnen noemen. De depressieve aanblik van laagbouw met golfplaten daken werd afgewisseld met scherpe kleuren op de geverfde, betonnen muren van de hogere gebouwen. Niets leek hier echt oud te zijn. Vrijwel alle gebouwen hadden winkels op de begane vloer; op de etages daarboven, als daar sprake van was, werd er gewoond.

De straten hadden brede stoepen, maar die leken voornamelijk in gebruik als verlengstuk van de zaken die ofwel hun koopwaar erop uitstalden of scooters en brommers parkeerden, waardoor een wandeling in rechte lijn bijna onmogelijk was. Hoge bomen stonden langs de stoeprand, en de onderste anderhalve meter van elke boom was wit geschilderd, zodat koplampen erop reflecteerden in het donker. Honderden kabels gingen van paal naar paal langs en over de straten. Met name lantaarnpalen leken populaire plaatsen om kabels te bundelen. Dit waren niet alleen elektriciteitskabels, maar ook telefoon- en televisiekabels. Het was vervolgens aan de monteur om te beslissen welke van hem waren.

Een dame benaderde me en liet me loterijkaartjes zien. Ik moest erom lachen. Wat dacht ze dat een buitenlander moest met een Vietnamees lootje? Maar toen besefte ik dat zij niks te maken had met dat aspect; ze wilde gewoon verkopen en verdienen. “Nee, dank je,” zei ik en liep door. Ze sloeg me op de arm, waarschijnlijk uit wanhoop. Aan de overkant stond een man toe te kijken.

Als loslopende buitenlander in een onbeduidend Vietnamees stadje waren glimlachen en verbaasde blikken mijn deel. Nabij het hotel aan de rivieroever waren die blikken afwezig, maar op het moment dat de buitenlander de stad betrad, werd hij het equivalent van een ontsnapt dierentuindier. De lokale bevolking leek niet gewend te zijn aan een westerling die hun straten bewandelde. Was ik verdwaald? Was ik aan het bezichtigen? Waarom bleef ik niet in de buurt van het hotel of de boulevard? Wat zocht ik in dit deel van de stad?

Als ik ook maar één woord Vietnamees had gesproken, had ik het ze kunnen vertellen. Eten. Er had geen enkel eettentje tussen al die winkels gezeten. Tot ik er plotseling tegenaan liep. Stoelen, tafels, ventilatoren, een balie, een koelkast vol frisdrank en een keuken achter die balie.

Ik stapte naar binnen en bestelde dun vlees, met een vreemde, grijze kleur, mij totaal onbekend, en een dubbele portie patat. Vier schoolkinderen van een jaar of tien stonden stil voor het restaurant en keken naar me. Ik lachte hen toe met een knikje voordat ik het eten naar m’n mond bracht; ze lachten terug en renden weg. Na het gemoedelijke Phnom Penh viel ik als buitenlander weer op. En toen besefte ik dat ik alleen nog Amerikaanse dollars had, omdat Cambodjaanse geldautomaten die valuta uitgaven en ik nog geen geld had gewisseld. De leuke serveerster twijfelde even, maar toen knikte ze. Ik betaalde voor mijn maaltijd in dollars – twee stuks.

* * *

Nederlanders kunnen niet ontsnappen aan de Nederlanders. Vier van de acht passagiers op de boot van Phnom Penh naar Châu Đốc waren Nederlanders geweest. En toen de bus met mensen die in de andere richting reisden arriveerde, kon ik wel raden welke nationaliteit eruit zou stappen. Die avond was iedereen aanwezig in de gemeenschappelijke ruimte van het drijvende hotel. Men speelde pool, dronk wat bier, praatte. Er waren geen muren, en ik zat in een gelukkige bui in mijn eentje aan een tafeltje, terwijl een avondbriesje mijn gezicht afkoelde onder het schrijven van een reisverhaal over mijn tijd in Australië. Toen ik aan de bar een biertje bestelde en een 19-jarige Nederlandse backpacker m’n accent hoorde, werd ik door hem met een blije lach aangestaard.

“Hé, jij bent Nederlands!” riep hij uit in onze moedertaal.

Ik wist al over hem dat hij zijn studie had verkloot, hoe oud hij was en dat hij uit een stadje genaamd Voorschoten kwam. Ik wist ook dat hij, samen met twee vrienden die naar huis waren gevlogen vanuit Ho Chi Minh Stad, met de motor door Vietnam had gereisd. En ik wist dit allemaal, omdat hij al de hele avond nogal sterk aanwezig was geweest.

“Ja,” zei ik. “En jij ook.”

Ik betaalde de bardame, pakte m’n bier en liep met een vriendelijk knikje terug naar mijn tafel. Ik zat middenin een flow en moest het afmaken. Toen ik ongeveer een uur later klaar was, draaide ik me naar de 19-jarige die aan een tafeltje verderop zat, en zich leek te vervelen nu de andere Nederlandse backpackers naar bed waren gegaan. Hij staarde in stilte naar de blonde meid die in de weer was met poolballen op de pooltafel. Alleen wij drieën waren nog wakker, samen met twee personeelsleden die steeds ongeduldiger werden.

“Nou,” zei ik, “vertel me eens over dat motorrijden in Vietnam.”

“Ben je hetzelfde van plan?” vroeg hij verrast.

“Dat is wel het plan, ja. Met een vriend van thuis.”

“Waar kom je vandaan?”

“Hoorn.”

“Ik kom uit Voorschoten.”

“Dat weet ik.”

“Echt?”

“Nou, ik zat misschien wel te schrijven, maar dat betekent niet dat ik jou kon negeren.”

Hij lachte. “Oh, jij hebt gewoon zitten afluisteren!”

“Gast, je hebt een stem die kilometers ver kan reiken. Maar vertel nou eens over het motorrijden door Vietnam; ik ben echt heel nieuwsgierig hoe dat is. Heb je tips?”

“Het is echt supergaaf. Je moet een Honda Win kopen.”

“Waarom?”

“Als je pech krijgt, zit er in elk dorpje een monteur. Er zit altijd een Honda-specialist, overal. Honda is heel groot in Vietnam. Alle backpackers rijden met Honda Win.”

“Een Honda Win, dus. En hoe ging het rijden in dit land?”

“Het is echt tof, maar het verkeer is waanzinnig. Echt verschrikkelijk! Ze kijken niet, ze snijden je af, bussen en vrachtwagens weten dat ze je van de weg kunnen drukken en doen dat ook. Ik ben één keer gecrasht. Niet ernstig, of zo. En ze toeteren de hele tijd.”

Een poolbal vloog van de pooltafel af, kwam met een knal op de vloer terecht en rolde naar het water. Eén van de personeelsleden rende erachteraan, maar hij was te laat en de bal viel tussen de leliebladeren door het water in, precies naast de loopplank.

Hij was laaiend. “Je moet betalen!” schreeuwde hij. “Honderdduizend dong!”

“Kan ik morgen betalen?” vroeg het blonde meisje. Haar ogen waren doordrenkt met alcohol. “Ik heb geen geld bij me.”

“Wat is jouw kamernummer?”

“Elf.”

“Morgen moet je betalen voor het verlies van de bal. Honderdduizend.”

Haar spelletje pool was voorbij en ze nam plaats tegenover de Nederlandse backpacker.

“Dat is vijf dollar voor een poolbal,” zei ik tegen haar. “Ik dacht toch echt dat Vietnam wel wat goedkoper zou zijn dan dit.”

“Die klootzakken eisen altijd teveel!” Ze keek me aan. “Waar kom je vandaan?”

“Uit Nederland.”

“Ik kom uit Zweden.”

Ik keek haar ongelovig aan. “Je bent Amerikaanse.”

Ze stak een sigaret op. “Zweedse.”

Ik viel een seconde stil. Ze was blond en had blauwe ogen, dus ze kwam waarschijnlijk niet uit Sudan, maar haar accent was zeker niet Zweeds. Amerikaanse oostkust? Het was gemakkelijk om erachter te komen waar ze echt vandaan kwam, omdat ik een beetje Noors sprak (wat dichtbij het Zweeds ligt). “Du er Svensk?

Ja.

Hvor i Sverige kommer du fra?

“Oké, oké! Ik kom uit New York State. Maar jij hebt een Australisch accent!”

“Ik vind het een Nederlands accent,” zei de 19-jarige backpacker.

“Ja, ik weet dat jij Nederlander bent,” zei ze met een dronken stem, en wees naar me. “Maar hij niet.”

Hij zei tegen me: “Laten we in het Nederlands praten.”

“Onzin! Hij is Australiër!”

“Misschien ben ik wel Noors,” suggereerde ik.

“Iedereen kan een paar zinnen knäckerbrød leren. Ik ga naar bed. Klote Australiërs…”

* * *

“Waar is het meisje?” vroeg de medewerker aan me.

“Welk meisje?”

“Het meisje dat moet betalen. Waar is ze?”

“Ik heb geen idee.”

“Je weet het niet?”

“Nee.”

Terwijl ik mijn ontbijt at, ging de medewerker alle tafels langs, maar iedereen haalde de schouders op.

De Mexicaan, die zich bij mij voegde, fronste en lachte. “Waar gaat dat allemaal over?”

Ik legde snel uit wat er de vorige avond met de poolbal was gebeurd.

Een luide, boze, Noord-Amerikaanse, vrouwelijke stem schreeuwde plotseling: “Ik duik het voor je op! Ik ga het water in en breng jouw teringbal weer terug, goed?”

De Mexicaan draaide zich om en staarde geamuseerd naar het Amerikaanse meisje bij de loopplank. De medewerker wilde nog steeds vijf dollar voor zijn verloren poolbal, of ze zou haar paspoort niet terug krijgen.

De jongen zei tegen het meisje: “Nee, jij betaalt 100.000 dong. Je gaat niet het water in.”

“Nou, mooi wel. Ik ben een gecertificeerd strandwacht, ik red me wel. Ik kán zwemmen.”

“Het water is vier meter diep.”

“Dat is niks!”

De diepte was dan misschien niet het probleem, maar het wateroppervlak tussen het hotel en de oever was bedekt met meerdere lagen enorme leliebladeren. De dichtheid van de staken maakte het heel gevaarlijk om onder water te zwemmen, maar ze leek vastbesloten te zijn.

“Heel gevaarlijk. Niet mogelijk,” zei de jongen met een stem die streng moest klinken, maar verborgen paniek verraadde.

“Ik moet dit wel doen als ik mijn paspoort terug wil,” antwoordde ze. “Ik ben lerares Engels in Cambodja, hoeveel denk je dat vijf dollar voor me is? Een enorm fortuin, man!”

Ik overwoog haar woorden en zei: “Toch vreemd. Ze had gisteravond wel het geld om zichzelf helemaal te bezatten. Nu wilt ze haar leven wagen voor vijf dollar.”

De Mexicaan lachte en draaide zich terug naar zijn ontbijt. “Iemand zou die meid een duikmasker moeten geven.” Hij bracht het eten naar zijn mond. “En een zuurstoffles.”

Het meisje keek nog eens naar al die bladeren, zuchtte, trok haar portemonnee en betaalde voor de poolbal. De medewerker keek opgelucht en bracht het geld naar de balie, waarop hij haar paspoort teruggaf.

Na het ontbijt moesten we onze bagage in de lobby zetten en op een rondvaartboot stappen voor een bezoek aan een drijvend dorp, het fenomeen waar de Mekong Delta beroemd om is. Deze grote, vlakke, natte regio produceert 54,8% van al het rijst in Vietnam en 58,3% van de vis, en de drijvende dorpen waren de thuisbasis van viskwekerijen, vertelde de moeilijk verstaanbare gids, terwijl we de rivier overstaken. “Deze huizen kosten zo’n $60.000. Ze zijn heel moeilijk te krijgen. We gaan nu naar eentje toe.”

Het kweken van vis op een rivier in Vietnam klonk alsof hengelende echtgenoten dagelijks een robbertje vochten met een Mekong-reuzenmeerval van meer dan drie meter lang, terwijl hun vrouwen en kinderen de vangst versneden aan de eettafel, maar toen de boot aanmeerde bij één van de huizen en we op het houten dek stapten, zagen we een vierkant gat van anderhalf-bij-anderhalve meter in de steiger dat toegang gaf tot het water onder het huis. Enkele kleine visjes waren zichtbaar aan de oppervlakte.

“Deze vissen,” wees de gids, “zitten in een kooi die helemaal tot de bodem reikt. Meestal is die tussen de vier en zes meter lang. Deze is zes meter lang en zit vol met vis. Kijk.”

Hij gooide een handvol visvoer uit een grote schaal het water in en meteen kwamen er duizenden vissen aan de oppervlakte die om het eten vochten, van het vredige water een jacuzzi maakten die op standje turbo was gezet, helemaal los gingen, op elkaar doken, instinctief hetgeen najoegen dat hen in leven hield. Zodra het eten weg was, doken ze, op enkelen na, weer onder. Het gat zag er nu weer uit als een badkuip waar je in kon baden.

De gids gaf een handjevol visvoer aan enkele mensen uit onze groep, die het om de beurt in het gat wierpen. De jacuzzi startte weer. En stopte. Startte, stopte. Het leek op een kapotte jacuzzi die je niet zou willen kopen, maar de vis erin werd door het hele land verkocht. Een klein visje werd uit het water gemept door een grotere en er weer liefdevol in terug geholpen door het ‘Zweedse’ meisje.

We stapten weer op de boot, voeren naar de overzijde van de rivier en wandelden door een dorpje waarvan men zei dat het traditioneel was. Het behoorde tot de Cham, een etnische minderheid. De gids zei iets over conflicten met een andere etnische groepering van de overzijde van de rivier, maar zijn accent was zo sterk dat ik geen idee had wat we hier deden. Het is nutteloos om een Cham-dorpje te bekijken als je niks weet over de Cham zelf, hun gewoonten, hun architectuur en waarom ze in conflict waren met die andere etniciteit. De huizen in het dorp waren niet bijzonder, want ze leken precies op de niet-Chamhuizen van de overkant. Dus liep ik rond met de rest, maar niemand wist waar we naar moesten kijken. En van het dorp gingen we terug naar het hotel, klommen aan boord van een bus, werden even losgelaten bij een tempel waar ook geen geschreven of gesproken uitleg werd verschaft, en klommen toen weer aan boord van de bus – op weg naar Ho Chi Minh Stad.

Na een pauze in een provinciestadje, waar een andere excursiegroep bij die van ons werd gevoegd, zat er een Australische dame naast me. We wisselden informatie uit over de verschillende excursies die we hadden gedaan. Zij en haar gezin waren naar Da Nang geweest, een grote kuststad in het midden van het land, waar een kabelbaan dwars door de bergen gaat.

“Het is de lange kabelbaan ter wereld,” zei ze.

Ik zei: “Ik dacht dat die in Zweden was?”

Haar echtgenoot, die achter ons zat met hun twee peuters, leunde naar voren en bracht zijn gezicht tussen de hoofdleuningen. “De langste enkel-kabel kabelbaan ter wereld. Hij is 5.042 meter lang.”

Ik lachte. “Mensen vinden altijd een andere invalshoek om een record te claimen.”

De bus reed langs de rijstvelden.

“Je zou het moeten zien als je naar Da Nang gaat,” zei ze. “Het uitzicht is werkelijk adembenemend en zonder meer het geld waard. Het leidt naar een themapark met een soort kasteel voor kinderen en er is ook een groot Boeddhabeeld.”

De echtgenoot leunde weer naar voren. “Het is zevenentwintig meter hoog,” zei hij in mijn rechteroor. “Het is het grootste Boeddhabeeld in Zuidoost-Azië.”

“Meen je dat?” vroeg ik en draaide verbaasd mijn gezicht naar het zijne. “Dat is bijna net zo hoog als dat Jezusbeeld in Rio de Janeiro.”

“Ja, zo’n beetje,” zei de echtgenoot, en hij stopte een speen in de mond van zijn kleine meid.

“Wat ga je doen in Vietnam?” vroeg de dame.

“Ik ga een motortocht maken van Saigon naar Hanoi,” zei ik, en ik kreeg een gevoel van opwinding bij het idee.

“Serieus?! Rijd je thuis ook motor?”

Ik schudde mijn hoofd. “Nee. Ik heb zelfs nog nooit op een motor gereden.”

“Nou, dan kun je maar beter goed oppassen in dat waanzinnige verkeer. Ga je alleen?”

“Nee, met een vriend.”

De echtgenoot leunde weer naar voren en vroeg: “Waar is je vriend nu? Is hij al in Saigon?”

“Hij zou daar binnen een uur moeten arriveren. Hij komt vanuit Siem Reap.”

“Kan hij wél rijden?” vroeg de dame, en ze leek zich oprecht zorgen te maken.

 


 In Vietnam: Met 100cc van Saigon naar Hanoi is verkrijgbaar via Bol.com en Amazon.de. Vooral via Amazon is de paperback spotgoedkoop (ook dit bedrijf heeft inmiddels iDeal als betalingsmiddel) en krijg je ‘m gratis toegezonden! Hier zijn de opties (werken als link):

KOBO E-BOEK (€2,99)

KINDLE E-BOEK (€2,99)

PAPERBACK VIA AMAZON (€8,43 incl. gratis verzending)

PAPERBACK VIA BOL.COM (en elke boekhandel) (€18,00 excl. verzending)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s