In Amsterdam: Het spookhostel

In 2009 werkte ik voor de Stayokay-hostels Vondelpark en Stadsdoelen, dat aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal gevestigd zit. dit hostel (en de vestiging aan het Vondelpark) en op een dag vroeg de general manager aan me of ik er tijdens de wintersluiting vier maanden lang zou willen wonen om zo te voldoen aan een eis van de brandweer. Een betrekkelijke periode, maar het verloste me wel van de zolderkamer die ik voor €400 per maand van een gescheiden fabrieksarbeider in Nieuw-Vennep huurde. Hoe gastvrij de man het ook maakte, zo’n maandelijks bedrag op een horecasalaris, de slechte late-avond-verbinding per trein of bus met het centrum van Amsterdam, de huilende kinderen elke zondagmiddag in de woonkamer als ze na een weekend vol gezelligheid terug naar mama moesten en de toch wat gekunstelde verstandhouding tussen huurder en verhuurder waren tezamen genomen reden genoeg om te kiezen voor een gratis verblijf in een gesloten hostel in hartje Amsterdam.

Zo betrok ik in het najaar een slaapzaal met acht bedden op de begane vloer. Door twee stapelbedden tegen elkaar aan te schuiven creëerde ik een tweepersoonsbed. Ik was echter niet alleen in het gebouw. Op de bovenste etage bevond zich een appartement waar om dezelfde reden twee collega’s hun intrek namen. Maar zij waren een stel; ik een vrijgezel die Amsterdam aan zijn voeten had; we zagen elkaar nooit.

Op een avond kwam ik terug van een concert van de Amerikaanse punkrockband Green Day in het Rotterdamse Ahoy en opende mijn laptop om nog wat aan een fictie-verhaal te schrijven. Ik zat aan een tafeltje in de lobby toen rond half één ’s nachts voetstappen en stemmen op de trap klonken. Het ging naar de eerste etage, toen naar de twee, en daar klapte een deur dicht. Het stel verbleef op de derde verdieping en sliep allang. Bovendien hadden ze voorbij moeten lopen en dat had ik dan natuurlijk gemerkt. Dus: wie waren dat? Ik keek de beveiligingsbeelden terug, maar zag geen enkele beweging.

Enkele dagen later gebeurde echter precies hetzelfde – voetstappen, stemmen, de dichtvallende deur. Via de walkietalkie maakte ik contact met het stel: waren zij zojuist binnengekomen? Het was nu rond 22:00 uur en ik had niet in de lobby gezeten toen ze mogelijk een minuut eerder waren binnengekomen. Maar nee, ik maakte hen juist wakker. Het meisje was zich zelfs kapot geschrokken toen mijn stem opeens door de radio schalde. Maar ze toonden zich sportief, kwamen naar beneden en terwijl hij bij de monitor bleef, zijn zij en ik met knuppels door het gebouw gegaan. Ik zocht onder elk bed, in elke douchecel, in elk toilet. Er kwam een kracht in me naar boven die wilde bewijzen dat ik niet gek was. Maar dat was ik blijkbaar wel…

Ik had gelukkig een extra troef. Een goede vriend van me, Maurice, zei altijd gevoelig te zijn voor energie die niet voor mensen als ik waarneembaar was. Toen hij een week later met enkele andere vrienden in Amsterdam was, stelde ik voor om hen een rondleiding te geven door het gesloten hostel. Ik had, met deze avond in de agenda, natuurlijk niks gezegd over de geluiden. We gingen met z’n vijven naar de eerste en daarna naar de tweede etage. Hier – juist hier – wijdde ik uit over de slaapzalen, de gang van zaken, m’n werkzaamheden. Maurice keek opeens ongemakkelijk en gaf aan verder te willen met de rondleiding.

“We waren daar niet alleen,” zei hij later. “Ik voelde de aanwezigheid van iemand anders.” Dat was bij slaapzalen C en D geweest, waar ik de deur had horen dichtslaan. Er was maar één conclusie mogelijk.

Twee maanden eerder, toen het hostel nog operationeel was, kwam ik een keer m’n tas ophalen alvorens naar de kamer in Nieuw Vennep te gaan. Er waren twee managers aanwezig: de front office manager en de assistent-manager. Dat was ongewoon – het kleine hostel aan de Kloveniersburgwal werd immers gemanaged vanuit het veel grotere Vondelpark. Ze zagen lijkbleek.

“Zo,” zei ik, “dat is zwaar geschut.”

“Een gast is gesprongen,” zei de FO-manager. “Een Amerikaan die in Irak heeft gediend en een paar dagen in Amsterdam zou zijn voordat hij terug naar de VS zou gaan.”

Drugs. Hij was onder invloed naar het hostel teruggekeerd, hing een halfuur met z’n hoofd in zijn bagagekluisje, was toen naar de derde etage gegaan, had daar de nooduitgang naar het dak geforceerd en was vervolgens naar beneden gelazerd (hetzij gevallen, hetzij gesprongen).

“Dus,” zei Maurice toen ik dít verhaal vertelde, “weet hij niet dat hij gestorven is. Hij keert nog steeds terug naar de kamer waar hij als laatste verbleef.” Hij keek me aan, scherp. “Wat jij nu moet doen, is daar gaan staan en zeggen dat je zijn aanwezigheid niet op prijs stelt.”

Zo gezegd, niet zo gedaan. Ik wachtte op een nieuw voorval – en die kwam er – en begaf me naar de tweede verdieping. “Je bent dood,” sprak ik in het luchtledige. “Ik wil je niet om me heen hebben. Je moet door naar de volgende wereld.” Ik voelde me een beetje als zo’n gek die op straat staat te schreeuwen, maar herhaalde het evengoed in het Engels. Maurice kreeg gelijk: de geluiden zijn nooit meer teruggekomen.

Ik ben niet gaan geloven in spoken, maar het hostel is een heus spookhuis.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s