In Banff: Hoteldienst met Archibald

Ik heb twee jaar lang in een hotel in Banff gewerkt. Eén van mijn collega’s was Archibald, een Engelsman van 26 jaar oud. Hij was lang, sprak gearticuleerd en beleefd, klonk professioneel en correct, en kon zijn soms sterke meningen staven met argumenten. Hij kwam daarbij zeer overtuigend over en tilde regelmatig, als hij een punt wilde maken, één wenkbrauw op, hield zijn hoofd lichtjes schuin en toonde een nogal geniepige glimlach om zijn soms sarcastische houding te onderstrepen. Hij trok dingen in twijfel en was eigenwijs. Er waren veel dingen waar we het over eens waren en veel dingen waar we het niet over eens waren. Onze discussies waren vriendelijk maar scherp. Het was wat dat betreft jammer dat ik deze week alleen vanmiddag nog een avonddienst draaide met Archibald en daarna weer zou opschuiven naar de saaie nachtdiensten, die ik in mijn eentje draaide.

En dus stonden we deze middag achter de receptiebalie. Het was even na 15:00 uur, en we gingen alweer helemaal op in zo’n gesprek.

“Eén van de dingen die ik hier in Banff heb gemerkt, Jesser,” zei Archibald, die me in plaats van Jerry (wat weer in plaats van het Nederlandse Jeroen was gekomen) zo noemde, “is dat je aan de gasten kunt zien wat een overnachting kost. In de zomer zijn alle hotels volgeboekt, vragen waanzinnig hoge bedragen en, daarmee samenhangend, krijg je de mensen die goed boeren – ze gedragen zich, ze hebben manieren, ze hebben geld om uit te geven, minder om zich zorgen over te maken. Maar nu de bedragen lager liggen, ligt ook het niveau van de mensen die we hier in de winter ontvangen lager.”

Alsof zijn punt moest worden bewezen, kwam net op dat moment een oudere dame, met iets harigs in de armen, het hotel binnengelopen met haar echtgenoot. Het harige ding trok mijn aandacht. Archibald volgde mijn blik.

De echtgenoot vroeg aan zijn vrouw: “In welke kamer verbleef ze ook alweer?”

“Volgens mij was het 261,” antwoordde de dame.

Ze hield een kleine spaniël in de armen, in haar ogen onopvallend, trachtend om niet te worden gezien door de receptionisten van dit ‘huisdier-onvriendelijke’ hotel.

“Pardon,” zei ik.

Het stel draaide zich naar ons toe.

Archibald zag het dier en struinde direct op hen af en zei ferm: “Wij staan geen dieren toe in dit hotel.”

De echtgenoot keek zijn vrouw, die even wanhopig leek, aan alsof hij wilde zeggen: ‘Laat mij dit maar afhandelen, schat,’ en hij knikte. “Oh, oké. Tuurlijk. Ik breng haar wel even naar mijn dochter.”

De vrouw gaf het kleine hondje aan de man en nam de lift naar de tweede etage. De echtgenoot verliet het gebouw en Archibald keerde terug met een tevreden gezicht. Maar er klopte hier iets niet, en het was niet al te cryptisch voor een simpele geest om te ontcijferen wat hij ging doen: ze waren van middelbare leeftijd, er zat een vrouw in kamer 261, en hij ging de hond naar zijn dochter brengen. Ik dacht even na, checkte de beveiligingscamera’s en zag nog net hoe de echtgenoot via de helling afdaalde naar onze ondergrondse parkeergarage.

“Opmerkelijk,” zei Archibald.

Ik zei: “Ik stuur hem terug omhoog of eruit via de lobby. Kun jij hem bovenaan ontmoeten en ervoor zorgen dat hij het hotel verlaat?”

Archibald lachte. “Met genoegen, maat.”

Ik liep via de trap naar de ondergrondse parkeergarage en ik trof de echtgenoot pal voor de lift. “We staan nog steeds geen honden toe in dit hotel, meneer.”

“Je staat ook geen honden toe in de garage?” vroeg hij met een blik alsof hij water zag branden.

“Nee, meneer.”

Hij liep in woede weer de helling op – onopvallend gevolgd door mij – en werd bij de uitgang van de garage opgevangen door Archibald.

“Meneer, een tweede herinnering…”

“Ja!” schreeuwde de echtgenoot. “Die andere jongen heeft het me al gezegd!”

Archibald grijnsde naar de dwaas, zag mij naderen en gaf me een knikje bij voorbaat. “Meneer, een derde herinnering…”

De echtgenoot en het hondje verlieten het hotel, vloekend en tierend, terwijl wij lachend terugliepen naar de lobby.

Archibald schudde zijn hoofd. “Wat een weerzinwekkende vent.”

Even later meldde er zich een man uit India om in te checken. “Helaas is uw kamer nog niet klaar,” legde ik uit. “U kunt de kamer op om 16:00 uur.”

Hij keek bedachtzaam. “Kan ik een vroege check-in krijgen?”

Dat is zo’n moment waarop je iemand sprakeloos aankijkt, je afvraagt wat er zojuist fout is gegaan in de  communicatie, voordat je jezelf extra voorzichtig en articulerend herhaalt. Hij knikte, begreep dat er geen kamers klaar waren tot 16:00 uur, inclusief die van hem, want we zouden hem anders natuurlijk echt niet laten wachten. Het is ook in het voordeel van een receptionist om elke check-in zo snel mogelijk uit de weg te hebben.

En toen meldde er zich een Aziatische jongen met een stapel restaurantfolders die zich wendde tot Archibald.

‘Hoi,” zei hij, “ik werk voor een Aziatisch restaurant, en ik vroeg me af of ik een paar pamfletten op uw balie mocht leggen?”

“Krijgen wij commissie voor elke gast die we naar uw restaurant sturen, meneer?”

Hij keek spijtig. “Ik ben bang van niet.”

“Dan is het antwoord nee.”

“Maar elk hotel laat ons dit doen.”

“Nou,” zei Archibald, “misschien opereren zij op een ander niveau dan ik. Waarom zou ik tijd besteden aan uw folders, balieruimte opofferen en uw restaurant aanraden als er niks tegenover staat?”

“Geen enkel restaurant biedt commissie.”

“Daarom ziet u geen restaurantfolders in ons hotel buiten de Banff Dining Guide, wat een algemene gids is als een service aan onze gasten.”

Zuchtend zei de jongen: “Oké, bedankt voor uw tijd.”

Archibald schudde zijn hoofd terwijl de jongen het gebouw verliet. “Ongelooflijk, maat. Ongelooflijk! Wij werken hard om een bescheiden commissie te verdienen aan excursies, en die gast…”

Een volgende man meldde zich aan de receptiebalie. “Mijn kamer ruikt naar haardvuur.”

“De geur is onderdeel van ons thema, meneer,” zei Archibald met een stalen gezicht. “Rustiek.”

Ik liep de backoffice in om mijn slappe lach te verbergen.

“Kan dat van jullie openhaard komen, via de ventilatiekanalen?”

“Zeer waarschijnlijk, meneer.”

Ik kwam weer naar voren met een nieuwe fax en deed alsof ik het las.

De gast vroeg: “Kun je ervoor zorgen dat die geur verdwijnt?”

“Zeker, meneer,” zei Archibald, en iedereen zou hem geloven.

“Dank je.”

De man verliet het hotel, waarop Archibald naar de openhaard liep. Hij wierp drie extra stukken brandhout op het vuur. “Nou,” zei hij, “ik ga meteen maar even pauze houden.”

Tijdens de pauze van Archibald plaatste een bebaarde man een paar skilaarzen voor me op de balie. Zijn sloom ogende vriend positioneerde zichzelf naast hem.

“Inchecken,” zei hij, en hij keek me verwachtingsvol aan.

Ik onderdrukte het idee dat het plaatsen van skilaarzen op een hotelbalie iets abnormaals was en vroeg: “Wat is de naam, meneer?”

“Dudikov.”

“Dank u, meneer Dudikov. Ik heb een creditcard en identificatiebewijs nodig, alstublieft.”

“Nu moet ik al mijn troep op de grond laten vallen!” En dat is wat hij deed om zijn handen te bevrijden van meerdere tassen om zijn portemonnee te kunnen pakken. “Creditcard, hè?”

“Ja, meneer. Ik neem een pre-autorisatie om de kamer, de belastingen en een schadeborg van tweehonderd dollar mee te dekken.”

Hij lachte op een superieure maar domme manier. “Kun je beter doen, want ik ga van die kamer een teringzooi maken!”

Zijn vriend, de beta-man van de twee, grinnikte dwaasachtig.

Ik keek hem aan terwijl ik het intekenformulier voor hem op de balie legde. “We laten u voor een aantal dingen tekenen.” Ik plaatste de pen op de eerste regel. “Geen lawaai. We geven lawaaimakers één waarschuwing en daarna volgt uitzetting met behulp van de politie.” Een bange blik verscheen op zijn gezicht bij het horen van dat laatste woord. Tweede regel: “En nergens roken in het gebouw.”

“Oh, ik rook niet,” zei hij opgelucht.

“Heeft u ski’s of snowboards, meneer?”

“Eén snowboard.”

“We staan geen snowboards toe in de kamers, dus ik geef u de sleutel voor een gratis snowboardkluis. De kamer met snowboardkluizen is hier door de deur en dan aan uw linkerzijde.”

De bebaarde man voor me wees naar de deur. “Dus hierdoor?”

“Ja. Ik haal even een sleuteltje voor uw kluis.” Ik liep de backoffice in en pakte een hangslotsleuteltje voor een snowboardkluis. Ik gaf het aan de bebaarde man.

Hij wees weer naar de deur. “Hier doorheen, toch?”

“Ja. Door die deur, en dan vindt u de deur naar de kluisruimte aan uw linkerhand. Die opent met de sleutelkaart in uw sleutelenveloppe.”

Hij en zijn sullige vriend kwamen binnen een minuut weer terug. “De sleutel kan de deur niet openen,” zei hij, het hangslotsleuteltje omhoog houdend.

“Dat is de sleutel van uw hangslot, meneer,” legde ik uit, en ik vroeg mezelf af of ik onduidelijk was geweest. Dat kon zijn. Of misschien lag het aan zijn middeleeuwse kijk op deze moderne wereld. “U heeft uw sleutelkaart nodig om de deur naar de kluisruimte te openen, en die sleutelkaart zit in het kleine envelopje dat ik u gegeven heb.”

“Laat het me zien. Het werkte niet toen ik het probeerde. De sleutel paste niet.”

Het zijn zulke mensen die van democratie zo’n enge manier maken om een land te runnen.

Ik liep met hem en zijn vriend naar de deur van de kluisruimte. “Mag ik uw sleutelkaart?”

Hij hield zijn sleutelenveloppe omhoog. “Hierin?”

“Ja, uw sleutelkaarten zitten in de sleutelenveloppe.”

Hij scheurde het agressief open en haalde met enige moeite een sleutelkaart eruit. Hij maakte daarna een duwgebaar met de sleutelkaart om aan te geven dat ik de sleutel in het kaartslot moest steken. Ik opende de deur met de sleutelkaart en wees naar de kluis die correspondeerde met het nummer op zijn hangslotsleutel.

“Sleutel nummer drie werkt op slot nummer drie. Gaat dit nu lukken?”

Ze zeiden niets, en ik verliet de skikluisruimte.

Archibald kwam terug van zijn pauze en werd onderweg naar de receptie gestopt door een man van in de dertig.

“Meneer?”

“Ik probeerde een kamer te bellen met de telefoon in de lobby, maar ik word niet verbonden.”

“Heeft u het juiste kamernummer gedraaid, meneer?”

“Dat mag ik toch hopen. Het is mijn eigen kamer.”

“Heeft u op ‘5’ gedrukt vóór het kamernummer, meneer?”

“Op 5 gedrukt?”

“Ja, meneer. Zoals nogal groot op de telefoon staat aangegeven moet men eerst op 5 drukken en daarna het kamernummer invoeren.”

“Dus op 5 drukken en dan het kamernummer, toch?”

“Ja, meneer. Op 5. Die komt na 4.” Terug aan de balie slaakte Archibald een zucht. “De bedragen zijn echt hard omlaaggegaan, maat.”

Een man van middelbare leeftijd, gekleed in een enorme, witte cowboyhoed en een paars overhemd vol emblemen van Formule 1-sponsoren, kwam uit de lift. Zijn riem was gedecoreerd met een enorme metalen gesp die bijna zo groot was als een eetbord. We wisten dat het zijn verjaardag was en nu ging hij het vieren – alleen, maar wel met een trechter waardoor andere mensen drank in zijn mond konden gieten. Zijn enorme snor transformeerde tot een lach. “Het ontbijt is morgenochtend te vroeg voor mij, jongens.” En onze cowboy liep de deur uit om vrienden te gaan maken met vreemdelingen die zeer zeker de drankjes zouden waarderen die hij voor ze ging kopen.

Archibald schudde spijtig zijn hoofd. “Sommige mensen zijn iets anders.”

Een andere gast meldde zich aan de balie. “De laatste keer dat ik hier incheckte, stonden er twee prachtige meiden achter de balie.”

Archibald zei: “We hebben een geslachtsoperatie ondergaan, meneer.”

En toen meldde er zich rond 22:45 een oudere man aan de balie. Hij was het ouderwetse soort Britse gentleman, die zijn vrouw ‘dear’ noemde en een indrukwekkend waardige, langzame manier van articuleren heeft, gevormd door vele jaren, met de wijsheid die ermee gepaard gaat – het echte werk. Terwijl zijn dochter van middelbare leeftijd en vrouw naar de kamer gingen, plaatste hij zijn armen op de balie, keek ons aan, lachte, schudde zijn hoofd en zei: “Ik heb zojuist de meest buitengewone ervaring gehad.”

“Vertel.”

“Ik nam mijn vrouw en dochter mee uit eten bij de Rose. Heet het zo: de Rose?”

“Ja. De ‘Rose and Crown.’ Goeie bar,” zei Archibald.

“’Rose and Crown,’ inderdaad, ja. Wij hadden daar de meest buitengewone ervaring. Wij zaten aan een tafeltje te dineren, en de serveerster waarschuwde ons dat om tien uur de band zou beginnen met spelen. Maar wij zaten er al tien minuten, en de dames hadden hun glaasje wijn, en ik had mijn glas bier, dus we besloten te blijven.” Hij lachte en sloeg zijn open hand op de balie. “En dit geloof je niet! De pub begon te vullen met van die mensen, je weet wel, die tijdelijk werk hebben, op de skihellingen werken en fruit plukken. Ze hebben van die baarden en tatoeages en dreadlocks die – ik maak geen grap – tot halverwege hun rug reiken! Hoe dan ook, dus al die jongens met tijdelijke banen staan om ons heen, en ze drinken het ene na het andere bier, en ze worden steeds luidruchtiger. Ze stonden allemaal tegen elkaar te schreeuwen. En toen begon de band ook nog te spelen. In het midden van dat alles probeerden wij te dineren!”

Archibald knikte spijtig. “Ja, meneer. Geloof me, wij weten precies hoe u zich toen moet hebben gevoeld.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s