In Banff: Nachtdienst

Natúúrlijk haatte ik het, zoals ik de verslaving altijd heb gehaat, en plotseling, in een vlaag van woede om die zwakte, pakte ik mijn pakje sigaretten en aansteker en wierp ze in een prullenbak nabij het Banff Park Museum. Impulsief, ja, maar je moet elke verslaving toch eens stopzetten. Deze avond voelde om ondefinieerbare redenen als een perfect moment om te stoppen met roken. Maar was het wel de juiste avond ervoor?

Net op dat moment stond een groep tieners voor het rode voetgangerslicht aan de andere kant van de weg te huilen als wolven, de één reagerend op de andere. Een pick-uptruck waarvan de muziek uit de open ramen schalde, reed pal langs me heen en sloeg rechtsaf op Banff Avenue richting de brug. “We hebben het ‘m geflikt, bitches!” schreeuwden de vijf jonge inzittenden. “We zijn in de Rockies! Fuck yeah!” Aan de overkant passeerde nog zo’n groep jonge mannen; ze droegen pruiken, rokjes en neptieten. Het licht sprong op groen. Ik stak over, evenals de huilende tieners en de verklede mannen aan de overzijde. Ze herinnerden me eraan dat het vrijdagavond was; ik vreesde de vrijdag, en het speet me nu al dat ik dat pakkie sigaretten had weggegooid – wat had ik nu zin in een sigaret!

Aan de Avenue stonden lange rijen jongeren voor de Brew Pub en een dancing genaamd Sasquatch. De jongens hadden baarden en droegen petjes, ze waren luid en in vrolijke stemmingen. De meiden droegen het verdraagbare minimale. Politiewagens stonden in het midden van de straat met hun lichten en motoren aan en agenten liepen langs de rijen. Uit diverse bars klonk rockmuziek; livemuziek was het luidst. Je zou bijna vergeten dat dit een nationaal park was.

Ik haatte de vrijdagavond! Ik zou vanaf twee uur ’s nachts weer geconfronteerd worden met zuiplappen in feeststemming, want naastgelegen kamers zouden geluidsoverlast ervaren en naar de receptie bellen met het verzoek hen tot stilte te manen. Daarvoor was ik niet naar Canada gevlogen. Maar wat kon ik doen? Naar huis gaan, terug naar Nederland? Absoluut niet. Ik was voor twee jaar naar Banff gekomen en zou hier voor twee jaar blijven. Ik had kunnen weten wat Canadezen onder ‘nationaal park’ verstonden; ik had mezelf in Nederland kunnen informeren voordat ik een besluit nam, maar ik had er bewust voor gekozen om ongeïnformeerd te arriveren. Confrontaties met zuiplappen waren dus onderdeel van de onverwachte Banff-ervaring.

“Hoi, Archibald,” groette ik mijn Engelse collega bij binnenkomst.

“Hi, Jesser,” zei hij. Jesser was de Britse koosnaam voor Jerry, zoals ik in het Engels heette.

Ik liep de backoffice in en deed mijn jas uit. Archibald was in Canada op een werkvakantievisum: hij kon in dit land werken waar hij maar wilde en als het hem niet beviel, stapte hij gewoon over naar de volgende werkgever. Het hotel waar we werkten, had aan hem gevraagd of hij twee nachten per week nachtdienst wilde draaien. Hij had het geweigerd. Zijn slaap was te belangrijk voor hem. Ik had die luxe niet: ik bevond me in een feodale situatie. Als ik ontslag zou nemen, moest ik Canada verlaten. Sterker nog: ik mócht hier als nachtreceptionist werken, omdat niemand anders dat werk wilde doen. Op die voorwaarde had het hotel een werkvergunning voor twee jaar kunnen regelen.

Ik begaf me naar de balie om de nachtdienst te beginnen.

“Hoe was uw dag, meneer?” groette Archibald de dikke touringcarchauffeur die het hotel binnen kwam.

“Fuck you…,” zei de chauffeur, en hij lachte.

Archibald trok een wenkbrauw op. “Pardon?”

“Oh, het is zo’n lange dag geweest. …Ik maakte maar een grap.”

“U vindt dat misschien grappig, maar ik niet. Zo moet u niet tegen me praten.”

De chauffeur keek Archibald verontschuldigend aan. “Ik dolde maar een beetje met je.”

“Ik zeg u nogmaals: ik vind dat niet grappig. Ik wil niet dat er zo tegen me gesproken wordt. Doe dat niet nog een keer.”

De touringcarchauffeur besprak wat koetjes en kalfjes met mij en greep toen de mogelijkheid aan om zich te verontschuldigen bij Archibald.

“Verontschuldigend geaccepteerd. Doe het niet nog eens.”

De touringcarchauffeur mompelde iets en struinde weg richting de lift.

Archibald was oprecht beledigd. “Ongelooflijk. Ongelooflijk, maat! Ik vraag hem hoe zijn dag was, en hij antwoord met ‘Fuck you!’”

Hij liep hoofdschuddend de backoffice in om zijn tas en jas te pakken.

Ik vroeg: “Nog iets door te geven?”

“Het enige is dat kamer 348 een extra deken heeft ontvangen, maar ik heb Housekeeping gemaild om het ze te laten weten. En dat is het wel, zo’n beetje.” Hij kwam de backoffice uit, klaar om naar huis te gaan. “Goed, Jesser. Fijne dienst, dan.”

“Bedankt, maat. Goedenacht.”

“Goedenacht, maat,” zei Archibald met een knikje.

Terwijl hij de deur uitliep, kwam er vanuit de gang, waar de kamers op de begane grond waren gesitueerd, een man richting de balie gewandeld. Hij was van middelbare leeftijd en zijn verwarde haar gaf aan dat hij zojuist geslapen had. Hij had een groot hoofd, droeg een zwarte leren jas en een donkere spijkerbroek. Terwijl hij nog zeker vijf meter bij de balie vandaan was, riep hij: “Het internet in dit hotel is absoluut het slechtste van het slechtste! Ik probeerde te bellen, niets! Het is verschrikkelijk! Ik heb in veel hotels verbleven” – heerlijk, die opschepperige grootspraak – “en het is nergens zo slecht als hier!”

Hij bereikte de balie en keek me verwachtingsvol van, maar ik vond deze theatrale man met zijn Einsteinhaar briljant. Ik moest om hem lachen. Tot mijn vreugde ging hij door: “En het is zo goedkoop om een goede router te kopen! Het is zo goedkoop! Koop gewoon een goede router waarmee je een goede verbinding hebt! Ik probeerde in te loggen om 5pm en het was gewoon onmogelijk!” Wat wilde hij dat ik deed, behalve genieten van zijn voorstelling? “Nu ik dit weet, verblijf ik hier nooit meer!” Weer een verwachtingsvolle blik. Ik zat alleen maar te glimlachen. “Hoe dan ook,” zei hij toen hij besefte dat dit nergens anders toe leidde dan een stille en eng lachende receptionist, “bedankt.” En hij liep weg.

Hij had me op een normale manier kunnen informeren over het niet-functionerende WiFi-netwerk en dan had ik het even kunnen resetten, maar in plaats daarvan had hij het nodig gevonden om te schreeuwen tegen Dat Gezicht achter de balie, en Dat Gezicht had geantwoord met grijnzen en knikken. Mensen als hij maakten me gewoon heel cynisch, meer niet.

Ik telde de kassa. Het Canadese geld was kleurrijk en omdat ik de koningin van Engeland erop zag – waar in de Nederlandse media nooit aan wordt gerefereerd als de koningin van Canada – voelde het alsof de Atlantische Oceaan de Noordzee was. Toch was dit Canada, en ik kon compleet versteld staan van Amerikanen, die natuurlijk hun paspoorten hadden getoond aan Canadese douaniers, nog altijd leken te denken dat ze in de Verenigde Staten waren. Dit werd levendig gedemonstreerd door een dame uit Alabama die zich aan de balie meldde en vroeg: “Waar werken jouw automaten op?”

“Op munten,” zei ik.

“Oh, welke munten?”

“Allemaal. Ze geven ook wisselgeld.”

“Nee, ik bedoel, werken ze ook op Amerikaanse munten?”

“U bent een internationale grens gepasseerd, mevrouw.”

Ze deed me aan Vrouwtje Theelepel denken: een vrouw van middelbare leeftijd met bolle wangetjes die het bos waar ze woont voor het eerst heeft ingeruild voor het buitenland.

“Oh, dus ze werken niet op Amerikaanse munten?”

“Nee, alleen Canadees.”

“Oh, oké. Nou, die heb ik niet.”

“Heeft u wisselgeld nodig?”

“Waar kan ik Canadese munten krijgen?”

“Nou, u kunt wat geld opnemen bij een geldautomaat, of ik kan Amerikaanse dollars voor u wisselen en dan kan ik u munten geven.”

“Oh, dus de geldautomaten hier geven Canadese dollars?”

Ik viel uit ongeloof even stil en mompelde: “Ja, mevrouw.”

“Oh, oké. En accepteren ze Amerikaanse bankpasjes?”

“Ja!” riep ik bijna wanhopig uit.

“Waar is de dichtstbijzijnde geldautomaat?”

Ik wees haar de weg en ze verliet het hotel om een geldautomaat te gaan vinden.

De receptietelefoon rinkelde; het was één van de kamers.

“Receptie, met Jerry.”

“Er is geen haardroger in onze kamer,” zei een man met Indisch accent.

“Hij is vastgemaakt aan de muur in uw badkamer, meneer.”

“Hij hangt er niet.”

“U vindt het aan de binnenmuur van uw badkamer, meneer. Naast de wastafel.”

“Kunt u het mij laten zien?”

“Zeker, meneer.”

En toen ik op de kamer was, was de haardroger, gek genoeg, vastgemaakt aan de binnenmuur van de badkamer naast de badkamer.

De gast wees ernaar. “Hij doet het niet.”

“Het spijt me vreselijk om dat te horen,” zei ik en haalde de haardroger uit de houder en probeerde de knop. Hij sprong meteen aan. “Hij is alweer gemaakt, meneer.”

Hij knikte met waardigheid. “Dat is mooi.”

Ik liep weer naar beneden.

Vrouwtje Theelepel kwam weer binnen. “Oh, mijn God!” riep ze uit. “Het is net als thuis!” Ze gaf me een biljet van CA$20. “Oké, dus ik heb munten nodig voor jouw automaat. Ik heb echt een cola nodig.”

“Zeker.”

Nu ze eindelijk haar munten had, liep ze naar de dichtstbijzijnde automaat en kwam enige tellen later terug met een leeg Colaflesje in de hand. “Ik wil nu graag inchecken. Ik had alleen een cola nodig voor ik me om iets anders druk zou maken.”

“Zeker. Wat is de achternaam, mevrouw?”

“Het is onder Meyer.”

Ik knikte en pakte het laatste registratieformulier van vandaag. “Ik heb een creditcard en ID-kaart met foto nodig, alstublieft.”

“Accepteer je Amerikaanse rijbewijzen?” vroeg ze gekscherend.

“Alleen Canadese rijbewijzen, mevrouw.”

Haar blik was kostelijk, en toen ik lachte ter anticipatie op het zeggen van ‘Grapje!’ was ze me voor en schudde haar hoofd. “Daar had je me bijna.” Ze las het registratieformulier. “Oh. Ik moet aftekenen op het ‘geen-geluidsoverlastbeleid’?”

“Zoals elke gast, mevrouw, maar het is meer van toepassing op de één dan op de ander.”

Het beleid was simpel: bij een klacht van een andere gast, kreeg de overlastveroorzaker één waarschuwing. Hield de overlast toch aan, dan volgde verwijdering, indien nodig door de politie. De agenten deden daar nooit lullig over, maar ik moest het besluit nemen. En ik deed daar weer niet lullig over. Met teringlijers hoef je geen medelijden te hebben: ze hadden het beleid ondertekend, door de eerste waarschuwing waren ze niet onwetend over hun gedrag en dus was uitzetting niet meer dan een terechte consequentie. Ik hechtte heel erg aan rechtlijnige procedures; er was geen woord Chinees aan dit beleid.

Ik checkte haar in en verwees haar naar kamer 239.

Iemand probeerde de nooduitgang nabij de receptiebalie te openen, die van buiten op slot zat. Ik stopte met tellen en opende de deur om te zien wie – een gast? – naar binnen wilde. Maar in plaats van een gast (of überhaupt een persoon) kwam er een dunne straal vloeistof naar binnen. Ik sprong meteen achteruit. Een jonge snuiter keek me geschrokken aan en heel even keken we elkaar recht in de ogen. Toen duwde hij zijn penis terug in zijn broek – terwijl hij in feite nog aan het pissen was – en rende weg. Ik keek naar de natte vlek op het tapijt en het kleine plasje tussen het tapijt en de deuropening. Gelukkig was ik niet geraakt. En toen rende een andere jongen, die waarschijnlijk had staan pissen tegen de muur naast de deur, ook weg.

Ik staarde naar de nattigheid. Kijk, hiervoor was ik nou naar Canada gevlogen!

Ik maakte het – vloekend en tierend – snel schoon en ging door met het tellen van de kassa. Daarna reikte ik, gewoontegetrouw, naar mijn broekzak om mijn pakje sigaretten eruit te halen. Oh ja. Ik zuchtte – ik en mijn impulsiviteit…

De telefoon ging. Vrouwtje Theelepel.

“Receptie, met Jerry.”

“Dit is kamer 239. Het spijt me heel erg dat ik u stoor, maar de mannen boven me spelen elektrische gitaar op hun balkon en zingen luid. Het is onmogelijk om in slaap te vallen.”

“Het spijt me dat te horen, mevrouw. Ik zal er onmiddellijk een einde aan maken.”

Ik had al heel wat eikels meegemaakt, maar dit was wel heel bizar. Een elektrische gitaar?! Dat moest haast wel van buiten komen – 239 bevond zich boven een doorgaande weg. Ik schakelde de receptietelefoon door naar het draagbare toestel en nam de lift naar de tweede etage.

De muziek van een elektrische gitaar op een versterker jankte door de gang. De intense woede die ik meteen voelde – ingegeven door het enorme gebrek aan empathie dat inherent is aan zulk gedrag – maakte dat ik onsubtiel op hun deur bonsde. Een dronken man van in de dertig, die in deze suite met een paar vrienden verbleef, deed open en bij het zien van een personeelslid leek hij zich iets te realiseren.

“Oh. Maken we teveel herrie?”

“Meneer, als u niet meteen stopt met muziek maken en luide gezing en gepraat, moet ik u vragen te vertrekken – met of zonder politieassistentie.”

Hij haalde een biljet van $20 tevoorschijn en drukte het in mijn hand. “Kijk eens.”

Ik gaf het geld terug. “Dat kunt u houden.”

Hij draaide naar zijn vrienden, lachte met een superieure blik en duwde het geld in mijn borstzakje. “Zijn we het eens?”

Ik pakte het geld uit de zak en gooide het op de vloer. Met gebalde vuisten stapte ik dichterbij, keek hem recht in de ogen en zei langzaam met een zachte stem: “Nog één keer en u kunt vertrekken.”

Hij staarde me lang en zwijgend aan terwijl hij zwaar ademde. Zijn vrienden stonden stilletjes op de achtergrond te wachten op de eerste vuistslagen. Nadat ik was neergezet als een prostituee die voor een paar centen pijpte, vond ik het rechtvaardig om zijn rotkop te verbouwen. Maar in mijn rol en feodale situatie kon ik mijn verlangens niet de vrije loop laten. Maar zulk gedrag – bespelen van een elektrische gitaar midden in de nacht, omkoping, belediging – kon niet onbestraft blijven.

“Uw vrienden zullen meteen moeten vertrekken.”

“Ze verblijven hier.”

“Dit is een kamer voor twee, u bent hier met z’n vieren. Er zullen er twee weg moeten.”

“Drie van ons slapen in dat kingsize-bed en de vierde slaapt op de bank. Ben je gewoon op zoek naar een reden om ons eruit te zetten?”

“U overtreedt de brandweervoorschriften. En aangezien u niet lijkt mee te werken, ga ik nu de politie bellen.” Ik pakte de draadloze telefoon erbij.

“Wacht, wacht. We kunnen een tweede kamer nemen.”

“Dat is nou jammer,” zei ik met een genoegzaam lachje. “We zitten vol.”

“Het is maar voor één nacht!” smeekte hij.

“Ik ga nu naar beneden, met twee van uw vrienden. En daarmee is het afgelopen.”

En zo ging het ook, zonder verder gedoe.

Veel hotelgasten lijken zich niet te beseffen dat hun gedrag allesbepalend is. Natuurlijk zijn er landen waar geld wel spreekt, waar men met liefde een oogje dichtknijpt in ruil voor een paar bankbiljetten en wangedrag tolereert, maar in veel landen is het salaris van de werkgever leidend en wil men voor de rest gewoon menswaardig behandeld worden, zoals iedereen. Als je vanuit het niets tegen een hotelreceptionist schreeuwt over een niet-werkende router of hem een lullig bedragje toestopt om je vrienden te imponeren, hoef je niet meer te rekenen op empathie. De klant is vaak koning, maar het personeel is altijd de baas.

We kwamen van de trap af – ik had niet de lift willen nemen met de twee eerste ‘buitengesmetenen’ van vanavond –, en ik zuchtte bij het zien van een jong stel dat op de banken dichtbij de receptiebalie zat. In de nacht beschouwde ik de hele lobby als mijn persoonlijke ruimte. Veel nachtreceptionisten neigen daarnaar. Het heeft iets te maken met het autonome, eenzame en stille karakter van de baan. Terugkerende gasten worden hartelijk begroet, maar worden het equivalent van een uitheemse diersoort als ze te lang blijven rondhangen.

“Kan ik in de lobby pizza eten?” vroeg de jongen met een Australisch accent. Naast hem zat een heel knap meisje.

Ik had een zwakke plek voor Australiërs; ik knikte. “Als jullie maar stil zijn.”

Samen aten ze hun pizza terwijl ze met zachte stemmen praatten. Hij maakte een deel uit van een groep die in Banff was om te feesten; zij was het meisje dat was versierd in de bar. Ik las een email.

“Hé…,” fluisterde het meisje. “Jij!” Ze giechelde; ik negeerde haar. “Denk je dat-ie me hoort? Beetje harder? Psst!” Ze sprak luider. “Hé! Jij! Bellboy!

Ik keek op. “Wil je alsjeblieft zacht praten?”

“Hoe heet je?”

Ik negeerde haar en ging door met lezen.

“Oké,” fluisterde ze, alleen niet op een meewerkende manier, maar eerder provocerend, en ze glimlachte, genietend van het feit dat ze iemand uitdaagde. “Ik zal zacht praten. Hoe heet je?”

Haar rokje was erg kort, maar haar zwarte leren laarzen maakten haar nog geiler. Wat deed die Australiër in hemelsnaam met een pizza in de hotellobby? Ik dacht: Ga d’r palen, man!

Hoe dan ook, nu ze zacht praatte, zei ik: “Ik ben Jerry.”

“Jarred?”

“Jerry, met een Y.”

“Oh. Jarred.” Ze pookte de jongen en plaatste haar laarzen op de tafel. Ik keek regelrecht tegen d’r doos aan. Een mooi, gladgeschoren kutje. Over een open deur gesproken… “Zijn naam is Jarred.”

De jongen wees naar zijn meisje. “Dit is Aïda.”

Ze wees naar de jongen. “En dit is Ben.”

Ik zei: “Aangenaam, Ben.”

“Ik kom uit Ontario,” zei ze. “Klote-Ontario… Waar kom jij vandaan, Jarred?”

Ben zei: “Ik kom uit Australië.”

“Klote-Australië!” schreeuwde ze, en ze keek me strak aan. “Hé! Jarred! Waar kom jij vandaan? Ik kom uit London. Ken je London, Jarred?”

Ik keek haar recht aan. “Ja, dat ligt in Engeland, toch?”

Fuck you, Jarred! Fuck you, you fucking Jarred! Het ligt in Ontario!” Terwijl haar ogen glazig waren door de alcohol, keek ze me uitdagend aan. “Zeg. Jarred. Waar, dus, kom jij the fuck vandaan, Jarred?”

“Amsterdam,” zei ik.

Ze lachte. “Amsterdam, Ontario.”

Ben fronste en stopte een seconde met eten. Hij keek me verbaasd aan. “Kom je uit Ontario?”

“Nee, Einstein. Uit Europa.”

Ben verduidelijkte knikkend: “Amsterdam, Nederland.” En hij nam een grote hap van zijn pizza.

“Ja, dat weet ik,” zei Aïda. “Maar ik betaal fucking Jarred terug omdat hij zei dat fucking London in fucking Engeland ligt.”

Ik liep om de balie heen. “Goed, Puss-‘n-Boots. Jouw keuzes zijn om naar je kamer te gaan, stil te zijn en te gaan slapen, of om het hotel helemaal te verlaten en niet meer terug te komen.”

Ben zei: “Ga naar de lift, Aïda.”

“Welke verdieping?”

“Wacht daar nou maar. Ik ben pal achter je.’

Aïda liep naar de lift terwijl Ben opstond en zijn hand uitstak. “Dit spijt me allemaal echt, man. Ik weet dat je haar gezeik zat werd, maar ik moest mijn pizza eten zodat we niemand wakker zouden maken.”

“Natuurlijk, ik begrijp het, Ben. Ik moet altijd mensen begrijpen die dronken zijn en zich misdragen. Wees nou maar gewoon stil, goed?”

“Ja. Nogmaals sorry, man.”

Vier minuten later filterde er een hoop geschreeuw door de gesloten liftdeuren. Toen de lift arriveerde en de deuren opende, kwam Aïda snel naar buiten gelopen. Ben volgde haar. Hij was woedend.

“Kolerewijf!”

Hij zag mij, stopte en staarde met grote ogen in mijn richting. “Ze is een hoer! Ze eiste geld!” schreeuwde hij woest. Aïda liep gehaast door de hoofddeuren naar buiten. “Ze is verdomme een prostituee!” Ben wees vol ergernis naar de sluitende deuren. “Ze wilde honderd dollar!”

Hierna was het een tijdje stil. De bars in Banff sloten om twee uur. Allemaal tegelijk, dus elke vrijdag weer ging om tien over twee ’s nachts de deur open en vulde de stilte van de lobby zich met het gelach en enthousiast gepraat van beschonken gasten. Op zaterdag was dit ook het geval, maar door de vermoeidheid van vrijdagavond was er nooit gelazer: op zaterdag gingen de gasten naar boven en naar bed. Op vrijdag, daarentegen, gingen ze naar boven om op hun hotelkamer door te feesten. Lang niet allemaal, maar er waren er altijd wel een paar. En dan belden de gewekte gasten in naastgelegen kamers naar de receptie, waarop ik weer naar boven moest om de dronken vrolijkheid om te zetten in een gedwongen stilte. Daarom vreesde ik de vrijdag: je wist nooit hoe zoiets zou verlopen…

Maar nu was het halfeen, alle reserveringen waren ingecheckt, en ik kon nu mooi de checklist afwerken voordat het getetter zou losbarsten. Zo geschiedde: om vijf voor twee was alles gedaan en afgekruist en greep ik routinematig naar het pakje sigaretten in mijn broekzak. Oh ja.

Dan maar een kop koffie.

Toen ik terugliep van de personeelskamer naar de receptie, de suiker in de koffie roerend, hoorde ik een groep luide jongeren het hotel binnenkomen via de hoofdingang.

“Als je in Banff geen seks kunt hebben,” zei er eentje, “lukt het nergens!”

“Hoeveel blikken bier hebben we?” vroeg een ander.

“Twintig!” zei de eerste.

“Gast! We moeten naar de slijter!” concludeerde een derde.

“De slijter is dicht, sukkel,” zei de eerste.

Hun stemmen werden steeds zachter en toen sloeg er een kamerdeur dicht.

Maar het moge duidelijk zijn: dit was geen hotel waar mensen midden in de nacht konden feesten. De muren tussen de kamers waren zo dun als papier. Dat telefoontje zou wel snel komen. Ik haastte, zo snel als ik kon zonder koffie te morsen, naar de receptiebalie en merkte dat de pot met gratis koekjes weg was.

Ik stond niet eens perplex. Ik dacht alleen maar: Daar gaan we weer. Ik wou dat ik een grote, hongerige, gedresseerde poema achter de balie had – zo’n megakat als rondom het stadje in de bossen leefde. Hij zou Slager heten, en als mensen ongelooflijk luidruchtig aan het feesten waren alsof er niemand anders in het hotel sliep, zou ik Slager uitnodigen om in de lift mee te gaan naar de luidruchtige kamer, waar ik stilletjes de deur zou openen met de hoofdsleutel om Slager binnen te laten en orde op zaken te stellen. Het laatste dat ik zou zien voordat ik de deur dichttrok, was de staart van het likkebaardende dier dat de kamer in verdween…

Helaas, ik moest het zelf doen. Ik struinde kwaad richting hun hotelkamer. Er werd binnen heel jolig geschreeuwd: “Gast!” en: “Fuck!” en “Drink!” Dat allemaal. Ik maakte van mijn rechterhand een vuist en bracht het omhoog, maar herinnerde me toen wat professionalisme inhield, zuchtte en klopte subtiel op de deur.

Een tiener deed open en keek me aan met een trage, half open mond, zijn ogen doordrenkt met alcohol, puisten over zijn hele kin. En terwijl ik hem in de ogen keek, dacht ik: Als ik deze jongen en zijn vrienden terecht wijs, kan ik in Banff blijven. Over modern feodalisme gesproken…

Ik zei: “Jullie zijn veel te luid. Jullie zullen moeten stoppen met feesten.”

Hij keek me een seconde aan, leek me in zich op te nemen, en zei: “Tuurlijk.” Toen sloot hij de deur en schreeuwde: “Party!”

Ik mompelde: “Fuck this shit…,” en liep terug naar de receptiebalie met de intentie om de politie te bellen zodra een klacht wegens geluidsoverlast hun uitzetting toestond. Maar bij nader inzien: als zij de koekpot hadden (diefstal!), kwamen ze direct voor uitzetting in aanmerking. Deze gedachte voerde mijn mentale motor op, en ik rende naar de balie. Ik keek in het computersysteem of er een kamer tegenover die van hen vrij was.

Ja!

Ik ging erheen, betrad de vrije en donkere kamer en gluurde door de gesloten gordijnen. De jongeren schudden blikjes en lieten het bier door de kamer spuiten. En daar had je ook de koekpot. Ik rende terug naar hun hotelkamer. Ik voelde me net een beest toen ik op hun deur bonkte.

Dit keer deed een andere puistenkop open. Hij gaf me dezelfde blik als het vorige ettertje. “Hallo,” zei hij komisch.

“Hallo, grindtegel. Jij gaat mij nu de koekpot teruggeven en dan ga jij naar bed. Zo niet, dan laat ik jou en die andere schijtpuisten binnen tien minuten uitzetten.”

“Wij hebben de koekpot niet,” zei hij met een uitdagende blik.

Ik smuilde. “Luister, mafkees. Ik heb die pot gezien, snap je? Geef het terug en ga naar bed.”

Een stem van een derde jong vroeg: “Zei hij dat hij de koekpot heeft gezien?”

De jongen staarde naar zijn vriendje en gaf hem het soort boze blik dat je aan iemand zou geven die zojuist je grootste geheim met de wereld heeft gedeeld, waarop hij spijtig zei: “Ja.”

Het derde jong, weer zo eentje met een dronken blik en gezicht vol puisten, kwam om de hoek van de deur. “Hé man, wil je een bier?”

“Houd je kop!” schreeuwde zijn vriend. “We moeten naar bed, of hij zet ons eruit.”

“Nee, dat doet-ie heus niet.”

Ik stapte naar binnen, duwde het jong terzijde en zei: “Dit is een kamer voor vier mensen, jullie zijn met z’n zessen. Twee van jullie moeten eruit.” Ik wees naar de jongen die had betwijfeld of ik ze er echt uit zou zetten. “Jij bent hier niet langer te gast.” En toen vond ik de jongen die de eerste keer de deur had geopend. “En jij bent hier zeker niet langer te gast.” Ik liep naar de koekpot. “En dit behoort op de balie.” Ik wendde me tot de twee jongens en zei: “Pak je zooi en verlaat dit gebouw direct.”

Zonder hun uitzetting te betwisten (wat me verbaasde) pakten de twee jongens stilletjes hun jassen en verlieten de kamer terwijl ik achter hen aanliep met de koekpot onder mijn arm. Ik verwees ze naar de deur, plaatste de koekpot in de backoffice en staarde een tijdje naar de bewakingsmonitor om er zeker van te zijn dat ze niet weer binnen zouden komen via de ondergrondse parkeergarage.

Als je naar een zwart-witmonitor kijkt waarop niks lijkt te gebeuren, wordt je aandacht getrokken door de kleinste beweging. Dat is hoe ik een persoon opmerkte in de hoek van het scherm, tegen de betonnen muur in een parkeervak, met slechts een been zichtbaar op de monitor. Ik besloot een kijkje te gaan nemen en liep de trap af naar de parkeergarage.

Onderweg zag ik een stelletje – waarschijnlijk oudere tieners – dat stond te zoenen tegen de betonnen muur in een leeg parkeervak. Zij stond met haar rug tegen de muur aan; hij wreef langzaam met zijn penis tegen haar kruis. Ze stonden gepassioneerd met gesloten ogen te tongzoenen.

Ik positioneerde mezelf stilletjes achter hen en schreeuwde: “Excuseer!”

De jongen draaide zich als de bliksem om en zwaaide zichzelf tegen de muur naast het meisje, die met verwilderde ogen erbij stond. Het gezicht van de jongen was lijkbleek.

“Ik heb boven zo’n twintig kamers vrij,” zei ik. “Heb je er eentje nodig?”

Ze schudde snel haar hoofd. “Mijn ouders hebben er al één.”

“Nou, als je voor jezelf en je one-night-lover een kamer wilt, moet je maar even langs de balie komen en dan komt het goed.”

En ik liep door, het gefluisterde gemopper achter me negerend.

De persoon die ik op de monitor had gezien was een jonge vrouw. Ze sliep, tenzij ze bewusteloos was. Ik stelde me naast haar op.

“Hé!”

Ze keek me aan. Het meisje was dun, doodop en wanhopig. Ze zou gedrogeerd kunnen zijn. Ze begon zachtjes te huilen en zei meerdere keren hoeveel dit alles haar speet.

“Waar verblijf je?” vroeg ik.

“In Canmore.”

Ze leek vreselijk jong; ze kon weleens minderjarig zijn, en ik wist dat ik voorzichtig te werk moest gaan. Ik stapte niet weg of knielde niet, ik bleef ten alle tijden daar waar de camera me kon zien.

“Hoe oud ben je?”

“Eenentwintig.”

“Oké,” zei ik, opgelucht. Ze had een accent. “En waar kom je vandaan?”

“Québec.”

“Hoe heet je?”

Ze keek me nu alleen nog maar aan met waterige ogen en leek in shock te verkeren. Ze gaf geen antwoord.

Ik vroeg: “Is er iets met je gebeurd?”

Ze barstte in tranen uit; duidelijk getraumatiseerd. Ik probeerde nog wat meer met haar te praten, maar ze kon niet langer een zinnig woord uitbrengen. Het meisje ging op haar knieën zitten en leunde voorwaarts totdat ze met haar voorhoofd de betonnen vloer raakte. Braaksel stroomde uit haar mond.

Ik stond ernaar te staren. Wat moet je met zoiets? Ze kon niet in deze staat de straat op. Ik besloot de politie te bellen. Ze viel weer in slaap.

“Mooi.”

Ik ging terug naar de receptiebalie om te bellen.

“Politie Banff,” zei een dame al snel aan de andere kant van de lijn.

“Hi. U spreekt met Jerry van The Settlers’ Inn. Ik heb in onze ondergrondse parkeergarage zojuist een meisje gevonden dat lag te slapen op de betonnen vloer en braakte. Ik denk niet dat ze een gast is, en ik kan niet met haar praten. Ze lijkt ook getraumatiseerd te zijn. Kan ze worden opgehaald?”

“Kan ze niet met u praten omdat ze in shock is?”

“Ze is of ontzettend dronken, getraumatiseerd, of beide. Ze komt uit Québec, woont in Canmore; ze zei dat ze eenentwintig is, maar ik weet niet hoe ze heet.”

“Ik stuur meteen een wagen.”

“Dank u. Ik zal proberen haar naar de lobby te halen.”

Maar toen ik ophing, kwam ze de lift uit. Ik liep naar haar toe. Ze begon weer te huilen en viel me in de armen. Ze stonk vreselijk.

“Wat is er met je gebeurd?” vroeg ik.

“Het… spijt… me… zo…,” mompelde ze door haar tranen.

Ze leek me een meisje dat normaal gesproken knap en verstandig was, en het was zonde om te zien wat een troep alcohol van een mens kan maken. Ik begeleidde haar naar een bank in de lobby en liet haar plaatsnemen.

“Rustig nu,” zei ik. “Droog je tranen.”

Ze keek naar me op en zag dat ik ongeduldig naar de deur staarde. Plotseling stopte het huilen, en ze keek naar voren en weer op naar mij. Mijn blik was nog steeds op de deur gericht. Ze realiseerde zich natuurlijk wat er op handen was en dus stond ze op en begon richting de uitgang te lopen. Ik kon haar uiteraard niet gijzelen, maar ze was niet in een mentale staat waarin ze vrij en doelloos door Banff kon lopen om 2:30 in de ochtend. Er dwaalden op dit tijdstip tweepotige roofdieren rond in het nationaal park.

“Ontnuchter wat voor je naar buiten gaat,” zei ik. “Het is niet wijs dat je…”

Ze keek niet om en liep naar buiten. Ik volgde haar de straat op. Een politiewagen verscheen, en de bestuurder rolde zijn raampje omlaag.

“Is dat haar?” vroeg hij.

“Ja.”

Hij schakelde de wagen in de achteruitversnelling. Met veel accelaratie schoot het voertuig achterwaarts door nachtelijk Banff, langs het meisje heen. Met een ruk aan het stuur zwenkte de wagen naar rechts en stuiterde de stoep op. Het meisje stond als verstijfd aan de grond. Twee politieagenten sprongen naar buiten. Ze grepen haar vast en wierpen haar op de achterbank. De deur werd dichtgegooid en dat was dat.

Tien minuten later ontving ik een telefoontje. Ze was in de “drunk tank” gestopt, maar zou geen boete krijgen.

De drunk tank! Dat is nog eens een uitvinding, nietwaar? Het is een grote gevangeniscel, speciaal voor mensen die onder invloed van alcohol zijn. Ik had nog nooit een cel van binnen gezien – ja, in musea, maar geen moderne, en ik kan niet bepaald zeggen dat ik ooit geneigd ben geweest tot activiteiten die me daarin zouden doen belanden – maar, gezien het feit dat daar een bed staat, zou de rest van de nacht voor dat meisje een stuk comfortabeler zijn geweest dan voor mij.

Om 4:30 uur kwam een jong stelletje binnen. Ze waren ongeveer achttien jaar oud, dronken en op zoek naar een kamer.

“Het spijt me,” zei ik, “wij zitten vol.”

De jongen zei: “Kan mijn vriendin het toilet gebruiken?”

“Tuurlijk. Even verderop in het gangpad.”

Het meisje ging erheen, maar draaide zich halverwege de gang om en gaf haar vriendje een verlangende blik om kenbaar te maken dat ze wilde dat hij meekwam. Hij haalde richting mij zijn schouders op om aan te geven dat hij geen idee had wat ze wilde (wellicht was toiletseks een nieuwe ervaring voor hem of hij dacht dat ik een argeloze monnik was) en volgde haar door de gang. Ik hoorde één deur dichtslaan. Ik wachtte twee minuten en liep toen rechtstreeks het damestoilet in. Ik slingerde de deur open (“Goeiemorgen!”) en botste bijna tegen de blote reet van de jongen aan. Zijn broek en onderbroek hingen halverwege zijn bovenbenen, en terwijl hij zijn shirt nog aan had, was zijn vriendin compleet naakt. Haar jurk lag op de betegelde vloer. Ze had een heel strak lichaam, mooi en slank, stevige tietjes, geschoren vagina, gladde huid. Maar op het moment dat ik de deur opende, rende ze van de wastafels, waar ze tegenaan leunde, één van de toiletten in.

De jongen trok snel zijn broek omhoog, keek me geschrokken aan en zei met een paniekerige stem: “We vertrekken nu.”

“Dat klopt,” zei ik.

En zo geschiedde.

Ik reikte naar mijn broekzak…

Om kwart voor zeven kwam de aflossing: mijn Japanse collega.

“Hoi, Jerry,” groette ze. “Hoe was je dienst?”

“Een normale vrijdagavond.”

Ze knikte inlevend.

Het allerbeste aan het nachtwerk was de wandeling naar huis. De ochtendlucht in de Rocky Mountains – die je tijdens zo’n dienst bijna zou vergeten – was altijd fris en koel. Vaak was de lucht strakblauw. En op zaterdagochtend domineerde het fijne gevoel dat de vrijdag pas over zes hele dagen weer aanbrak. Maar op deze ochtend miste ik iets – en wat haatte ik het.

Bij het Banff Park Museum reikte ik met mijn arm in de vuilnisbak en haalde in één greep zowel het halfvolle pakje sigaretten als de aansteker eruit. Met veel genoegen stak ik er eentje op. Eindelijk! Ik inhaleerde en blies een grote wolk de koele berglucht in. Ik stak het pakje in mijn broekzak, want daar, zolang die verslaving me parten zou spelen, hoorde het thuis.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s