Op ijsberenjacht in Churchill (Hoofdstuk 1 van “In de Amerika’s”)

Op de laatste ochtend van drie lange reisdagen reed de trein dwars door de Canadese toendra. Ik was zojuist ontwaakt. Buiten zag ik alleen moeras en lage vegetatie – een weids uitzicht zonder enige beschaving, behalve deze ene spoorlijn. Het was net zeven uur geweest; het laatste wat ik me herinnerde van gisteravond was een ontspoorde goederentrein die ondersteboven en half verzonken in het moeras naast het spoor had gelegen. Daarna was de duisternis ingevallen en had ik gelezen totdat de vermoeidheid toesloeg. Mijn leventje in Banff, het bergstadje in het westen van Canada waar ik twee jaar lang als nachtreceptionist in een hotel had gewerkt, leek nu al een ander tijdperk, een vorig leven.

Mijn tijdelijke werkvergunning stond op het punt om te verlopen; binnen een paar weken moest ik het land verlaten. Tijdens het tweede jaar had ik mezelf vaak de vraag gesteld: wat nu? Er waren genoeg opties – teruggaan naar Nederland, backpacken in Azië, een tijdje naar mijn familie in Californië, de werkvergunning verlengen en nog eens twee jaar in Banff blijven – maar het idee dat wortel schoot en transformeerde tot plan was het bereizen van de Amerika’s. En om de onderneming iets van een doel te geven, wilde ik met lokaal openbaar vervoer van de ijsberen naar de pinguïns reizen, zodat ik een uniek kenmerk van het noordelijk halfrond zou verbinden met een uniek kenmerk van het zuidelijk halfrond.

De enige plek in Canada waar ijsberen woonden en openbaar vervoer kwam, was Churchill, Manitoba – ‘De ijsbeerhoofdstad van de wereld.’ De gammele spoorweg uit Thompson was zelfs de enige manier om Churchill over land te bereiken; de enige (en zeker veel duurdere), andere optie was vliegen. Daar, aan de kust van de Hudsonbaai, zou ik de reis dus beginnen. De uiteindelijke bestemming zou natuurlijk Ushuaia zijn, de zuidelijkste stad ter wereld, waar de lijn eindigde die begon in Churchill en ik vertrouwde erop dat ik onderweg, ergens in Patagonië, pinguïns kon spotten.

Alle persoonlijke omstandigheden waren perfect: ik bevond me al in het land waar zo’n reis kon beginnen (tenzij je koos voor Alaska), er wachtte niemand op me, er stond genoeg geld op de bank en ik verlangde ernaar om na twee jaar stilstand weer een backpacker te zijn. Wat was het probleem?

Genoeg, volgens andere mensen. De Latino’s in Banff vertelden me dat ik het noorden van Mexico moest vermijden. En El Salvador – ‘muy peligroso’ (“heel gevaarlijk”). Kennelijk zat heel Midden-Amerika vol drugssmokkelaars, schietgrage bendes en guerrillastrijders. Maar al deze goedbedoelde waarschuwingen prikkelden juist mijn fantasie. Ik stelde me voor dat ik werd ontvoerd of zou sterven in de jungle – wellicht in Panama. Ik fantaseerde dat mijn familie in Nederland die gevreesde klop op de deur hoorde en daarna van een lokale politieman het vreselijke nieuws: ‘Uw zoon is in handen van een gewapende bende drugssmokkelaars. Onze collega’s in Colombia doen wat ze kunnen.’ En hoe meer ik over de gevaren fantaseerde, hoe enthousiaster ik werd. Door de saaiheid van mijn gereguleerde leventje in Banff snakte ik naar een echt avontuur. Een beetje gevaar en aan mijn eigen lot overgelaten zijn, dát wilde ik – en daarom wilde ik juist geen reis- of ziektekostenverzekering en al helemaal geen smartphone die me alles voorkauwde.

* * *

De trein kwam tegen half acht tot stilstand aan de rand van een dorpje met lage gebouwen. Het landschap was zo troosteloos, dat je je afvroeg wat de mens hier te zoeken had. Met mijn grote rugzak op mijn rug en mijn kleine rugzak op mijn buik – ik voelde me net een pakezel – stapte ik het kleine perronnetje op. De noordelijke koelte hing in de lucht, vandaag was het 4˚C. Aan alles voelde en zag je dat het hier afgelegen was – de lage temperatuur, de functionele architectuur van houten muren en golfplaten daken, de modderspatten op de voertuigen, de kleine sparretjes.

“Ik heb twee-en-een-halve dag gereisd om hier één dag te kunnen zijn,” zei een grote man met een bungelend fototoestel en zwart rolkoffertje, één van de pakweg twintig passagiers. Hij lachte. “Kun je het je voorstellen? Vanavond zit ik weer op die trein!” Zoals alle toeristen in Churchill hoopte hij een ijsbeer in het wild te zien. “Ik heb één dag,” benadrukte hij met een zucht.

“Ik heb drie dagen,” zei ik.

“Dat is ook niet zoveel,” zei hij somber.

Het ijsbeerseizoen zou over een week, op 1 oktober, van start gaan. Zodra de Hudsonbaai bevriest, trekken de beren van het achterland naar de baai en schieten de hotelprijzen omhoog, kosten ijsbeersafari’s een paar honderd dollar en all-inclusive pakketten – vlucht, hotel, maaltijden, excursies – naar verluidt zo’n 5000 dollar, een spotprijsje. De passagiers van vandaag beproefden hun geluk zonder zo’n enorm bedrag te betalen – er was weliswaar nog niets bevroren, maar de beren waren nooit ver van het water. Alleen vormden de onmetelijke toendra en de individualistische aard van ijsberen een ontmoedigende uitdaging.

“Hoe wil jij ze gaan spotten?” vroeg ik.

Hij haalde zijn schouders op. “Ik betaal gewoon iemand om me rond te rijden, denk ik.”

In het dorp waren er nauwelijks mensen op straat. Een man reed op een quad over Kelsey Boulevard en een ander waste zijn pick-uptruck op het grind voor zijn zaak aan Franklin Street. Veel huizen stonden verhoogd, omdat de afvoerpijpen zich boven de bevroren grond bevonden. Churchill, met een laagterecord van -45,6˚C, was immers ontworpen om intense kou te weerstaan. Er was maar een klein aantal hotelletjes. Dertien-in-een-dozijn-bedrijven als Holiday Inn, McDonald’s, Travelodge, Burger King en al hun soortgenoten had je hier niet, omdat de twee toeristenseizoenen – het beloegaseizoen in juli en augustus en het ijsbeerseizoen in oktober en november – tekort waren voor bedrijven die in handen waren van winstgeile aandeelhouders. In Churchill was alles in lokale handen.

“Toen we voor het eerst aan de mensen hier in het dorp vertelden dat we naast ons hotel ook een hostel wilden openen, wezen ze ons idee af,” zei de Australische eigenaresse van het Tundra Inn Hotel. “Ze dachten dat backpackers geen geld in het laatje zouden brengen. Maar ik bleef volhouden dat het beetje geld dat backpackers wél uitgeven, nog altijd meer is dan wat ze zouden hebben uitgegeven als ze het zich niet konden veroorloven om hier te verblijven.”

Bovendien ging het hostel op 1 oktober dicht: het huis met de pakweg twintig stapelbedden zou dan dienst gaan doen als personeelsaccommodatie. Ze bracht me samen met de 28-jarige Aaron uit Melbourne naar haar hostel tegenover het hotel. Hij had met dezelfde trein gereisd en we hadden tegelijk ingecheckt. Aaron was in Canada op een werkvakantievisum en had zichzelf een week de tijd gegeven om óf het noorderlicht te zien óf een ijsbeer, maar het liefst natuurlijk allebei. Hij had een Aziatisch uiterlijk (“Mijn ouders zijn naar Australië gevlucht tijdens het regime van de Khmer Rouge”), maar zijn accent was zo Australisch als dat van een bogan, een outback yank.

In de woonkamer stond de enige andere gast. Pedro, een Colombiaan die door Canada reisde, keek ons aan alsof we zijn privéterrein binnendrongen. Hij verbleef al een paar weken in Churchill.

“Wat heb je hier al die tijd gedaan?” vroeg Aaron, nadat de eigenaresse ons in de woonkamer de sleutel had gegeven en was omgekeerd.

“Ik wacht tot mijn visum verloopt en dan ga ik naar huis,” antwoordde Pedro op simpele toon. “Maar mijn vriend, ik heb heel veel medelijden met je.”

Aaron fronste. “Hoezo?”

Pedro trok een superieur gezicht. “Ken je aurora?”

“Natuurlijk, maat.”

“Het noorderlicht?”

Aaron knikte ongeduldig. “Ja. Dus, wat is er met het noorderlicht?”

“Gisteren,” riep Pedro uit, “de grootste kans ooit! Mijn vriend, het noorderlicht was heel mooi gisternacht, en jij hebt het gemist, maar ik zag het. Ik heb zo’n medelijden met je. Mijn vriend, ik heb echt heel veel medelijden met je.”

“Ik heb een week de tijd,” mompelde Aaron. “Ik weet zeker dat er nog wel een kans komt.”

Ik knikte instemmend – er was geen reden om Aaron al meteen op zijn aankomstdag te ontmoedigen.

“Ik stond er drie minuten en het was prachtig.”

“Je hebt drie minuten lang naar het noorderlicht gekeken?”

“Ja, ja,” zei Pedro, leunend tegen de muur. “Er was niets en het was prachtig.”

“Dat is mooi, man,” reageerde Aaron op zuinige toon.

“En jij? Jij komt alleen voor de beren?”

“Beren en het noorderlicht. Als ik het één of het ander zie, ben ik tevreden.”

“Je hebt niet veel dagen. Als je wilt, kun je naar een jager gaan. Hij werkt op het treinstation. Hij heeft wapens, heel sterke wapens. Hij weet alles.”

“Ben jij met hem meegegaan?”

“Ik heb hem alleen vragen gesteld. Steeds als er mensen komen of gaan, weet hij het. Want hij is belast met de veiligheid. Ik weet niet of hij het kan doen, maar als hij je toestaat om het te doen… Maar hij kan het heel goed doen, want hij is heel erg goed en je bent absoluut beschermd.”

“Het komt vast wel goed, Pedro,” zei Aaron.

“Niet zoals dit. Mijn vriend, ik heb heel, héél veel medelijden met je.”

Snoever.

Ik liep naar onze vierpersoonsslaapkamer, genaamd Beluga, om mijn bagage op het bed te droppen. Pedro sliep godzijdank in een andere kamer. Aaron liep achter me aan.

“Wat zijn jouw plannen voor vandaag?” vroeg hij, terwijl hij zijn backpack afdeed en op het andere onderbed neerlegde.

“Koffie,” lachte ik. “En dan ga ik denk ik maar eens beerspotten.”

“Ik ga met je mee, als je dat goed vindt.”

“Ik wilde het je net vragen.”

We dronken koffie in het eetzaaltje van het Seaport’s Hotel. Het was een simpel maar knus vertrek met veel hout en niet meer dan zo’n tien tafels. Twee bebaarde, ruig uitziende mannen zaten in een hoek met ieder een glas bier voor zich. Ze praatten weinig.

“Waar wil je gaan beerspotten?” vroeg Aaron, terwijl hij in zijn koffie roerde.

Goeie vraag. Ik wist maar twee dingen: de dieren zijn extreem nieuwsgierig en gevaarlijk, en de populatie rondom Churchill, de zuidelijkste populatie ter wereld, bestaat uit zo’n negenhonderd solitaire en niet-territoriale dieren. Ze konden overal zijn. Ik keek besluiteloos naar buiten.

Een tiener fietste voorbij met een boodschappentas aan zijn stuur. Het leek zo gewoon, maar het stille dorp was dermate blootgesteld aan de grillen van de omringende wildernis dat kinderen die hier opgroeiden met gemak een Arctische versie van Mowgli konden worden. Men wilde echter ook weer niet dat kinderen na school naar huis liepen. Voor het enorme Town Centre Complex, waar naast de school ook een sportschooltje, filmtheater, ziekenhuis, zwembad en bibliotheek waren gevestigd, stonden later op de dag schoolkinderen bij de bushalte te wachten. Het dorp was sowieso goed voorbereid op ontmoetingen tussen ijsberen en mensen; veel inwoners hadden geweren, elke avond ging er om tien uur een alarm af (als herinnering om naar binnen te gaan), tijdens Halloween zou er een helikopter in de lucht hangen om te voorkomen dat ijsberen zich bij het feest aansluiten en voordeuren gingen niet op slot zodat mensen altijd ergens naar binnen konden vluchten.

“We hebben lokaal advies nodig,” zei ik.

“Een expert…,” verzuchtte Aaron.

“We moeten langs bij het bezoekerscentrum en de excursiebedrijven. Bij hen kunnen we informatie inwinnen.”

“Ga jij naar het bezoekerscentrum? Dan probeer ik de excursiebedrijven. Als we ons opsplitsen en met zoveel mogelijk mensen praten, zouden we vanavond een behoorlijk goed idee van de aanpak moeten hebben.”

Het bezoekerscentrum was gevestigd in het stationsgebouw uit 1929 en werd gerund door Parks Canada, de beheerder van Canada’s nationale parken. Aan de hand van een nagebootst ijsbeerhol, vachten, een wigwam, opgezette dieren en informatiepanelen werd de geschiedenis, cultuur en natuur van deze lege, barre regio getoond en beschreven. Op één van de vele bordjes stond: ‘Talloze generaties lang hebben de Cree-, de Dene- en de Inuit-volkeren dit territorium bewoond en het ritme van de seizoenen gekend. De mensen reisden en dreven handel, joegen, vertelden verhalen, sloten vrede en voerden oorlog en aanbaden de Schepper lang voordat de Europeanen hier voet aan wal zetten. Zij waren de eerste mensen in het land van de noordenwind.’

Ik las die laatste zin opnieuw. In het land van de noordenwind. Dat was mooi. En ik dacht aan het winderige Vuurland, niet alleen het land van vuur maar ook het land van de zuidenwind. Het noorden zou zich in het zuiden herhalen: winderige toendra aan beide zijden van deze langgerekte landmassa en oerwoud, woestijn en bergen ertussenin.

“Hoe maakt u het?” vroeg een mannenstem achter me.

Ik draaide me om en keek in het bebaarde, vriendelijke gezicht van een Parks Canada-medewerker. Op zijn naambordje stond dat dit Mike was. “Uitstekend. Ik ben op zoek naar opties om een ijsbeer in het wild te spotten.”

“Er zijn meerdere opties. Je kunt een auto huren en het dorp uitrijden, het zelf doen. Je kunt praten met de inwoners en zien of zij je willen rondrijden – je geeft ze gewoon wat benzinegeld en extra cash waarmee ze een doos bier kunnen kopen. Je kunt aan één of twee bedrijven vragen of ze een excursie willen doen – misschien kun je wat mensen samenbrengen en de kosten verdelen. Ik zal je een lijst met telefoonnummers geven.”

De optie om een inwoner te betalen leek niet erg economisch: we riskeerden niets te zien terwijl we natuurlijk wel moesten betalen. De huurauto-optie leek me wel wat. Mike benadrukte echter wel dat het de verantwoordelijkheid van de doe-het-zelver was om ieder contact tussen mens en ijsbeer te voorkomen.

“Weet je,” zei hij, “er zijn altijd wel bezoekers die de ijsberen onderschatten. Mensen draaien hun raampjes naar beneden terwijl een ijsbeer hun voertuig nadert, of ze stappen zelfs helemaal uit voor een snelle selfie. Dat is meerdere malen fout afgelopen.”

“We zullen onze verantwoordelijkheid nemen,” beloofde ik.

Ik liep naar het kantoor van het enige autoverhuurbedrijf in Churchill. De eigenaresse vertelde me dat ze de volgende dag een pick-uptruck beschikbaar had. “Je hoeft ’m niet eens te reserveren. Als je ’m wilt, kun je ’m ’s ochtends zo komen ophalen.”

* * *

Tundra buggies

“Ja, laten we een truck huren,” zei Aaron die namiddag in het hostel. “Het is de beste optie. Ik heb namelijk ook met wat mensen gepraat. Het kwam erop neer dat als we vijfentwintig personen bij elkaar kunnen krijgen die ieder 100 dollar betalen, we een tundra buggy kunnen charteren om ijsberen te gaan spotten.”

Hij keek me verwachtingsvol aan. We schoten in de lach.

“Ik haal morgenochtend die truck wel op,” zei ik.

Een vierde gast voegde zich vlak voor het invallen van de duisternis, rond zes uur, bij ons. De Canadese veertiger was onderweg naar het hostel kennelijk eerst even bij de supermarkt langs geweest: vijf minuten na aankomst lag het hele aanrechtblad tjokvol groente. Aaron en ik kwamen nieuwsgierig bij hem staan.

“Heb je aan die houten lantaarnpaal buiten een paard vastgeknoopt?” vroeg ik, terwijl hij een krop sla schoonspoelde.

Hij grinnikte. “Alles wat ik eet, is onbewerkt. Het draait allemaal om gezondheid. Voorheen at ik alles – vlees, vis, hamburgers. Ik dronk zo af en toe alcohol. Maar daar ben ik allemaal mee gestopt, zelfs met de vervangers. Ik verlang naar een natuurlijke levensstijl.”

“Mis je niet de smaken van vlees en vis?” vroeg Aaron.

“Het zal je verbazen hoe lekker dit is, zolang je maar weet hoe je een goede maaltijd moet klaarmaken. Waarom eten jullie niet mee?”

Er is nauwelijks een grotere gift denkbaar dan een maaltijd die voor je gekookt wordt.

“Graag,” zei ik. “Ik eet wel mee.”

Aaron knikte. “Mij best, maat.”

“Ik ben eigenlijk op doorreis,” zei de man. “Morgen ga ik naar het uiterste noorden van Canada. Daar wil ik een nieuw leven opbouwen. Zover mogelijk bij de mensheid vandaan, waar het leven nog op een natuurlijke manier geleefd kan worden.”

“Hoe heet dat oord?” vroeg ik.

“Resolute.”

“Nou,” zei Aaron, “dat klinkt inderdaad als het einde van de wereld.”

“Wat brengt een Australiër en een Nederlander naar Churchill?”

We vertelden het hem, en de volgende ochtend wenste hij ons veel sterkte toen we erop uit trokken.

* * *

Twee korte wegen leidden het stadje uit. Hydro Road liep zo’n 15 kilometer zuidwaarts langs de Churchillrivier. De andere – eerst genaamd Hudson Drive, daarna Launch Road – meanderde westwaarts op een paar honderd meter afstand van de Hudsonbaai naar het Churchill Northern Studies Centre, zo’n 20 kilometer buiten Churchill. Tussen deze laatste weg en de kust moesten we een oogje houden op de buitenwereld: alles wat wit was, kon een ijsbeer zijn.

Aaron zat naast me in de passagiersstoel. Het landschap bestond uit het grijze water en de piepkleine zandstrandjes achter het lange, gele gras, de poelen, de moerassen en de grijsbruine, lage rotsen. Er was geen ander verkeer. Hoewel het asfalt na het vliegveld ophield, bleef de weg goed begaanbaar met slechts hier en daar een gat. We hielden een half oog op de weg, terwijl we het landschap scherp in de gaten hielden. Soms bevond er zich op een rots een misleidende witte substantie, zoals vogelschijt. De dunne bewolking hing laag boven het land.

We begaven ons op één van de bochtige, modderige stuiterweggetjes tussen Launch Road en de kust. Soms klotste het regenwater uit een onverwacht diepe kuil. Onze robuuste truck was gemaakt voor dit landschap: de hoge ligging, de uitstekende vering, de krachtige motor. De verhuurster had niet de moeite genomen om de opgedroogde modder – buiten én binnen – eraf te wassen, want dat had toch geen zin. We bonkten een enkele keer over uitstekende stenen. In mijn ooghoek zag ik plotseling, tientallen meters verderop, langs een lager gelegen poel, iets wits lopen – “IJsbeer!” Ik trapte meteen op de rem.

We pakten onze digitale camera’s erbij en zoomden zo ver mogelijk in, maar zagen op de resulterende foto’s dat het dier in feite een husky was. Er bevonden zich op diezelfde plek nog zo’n vijf of zes husky’s, elk vastgebonden aan een meterslang touw.

“Er is een man in het dorp die zijn rasechte husky’s expres daar houdt, omdat ze op die manier blootgesteld blijven aan de elementen,” vertelde de receptioniste van het Churchill Northern Studies Centre (CNSC). “Het dorp is er verdeeld over. De ene helft zegt dat het een goede manier is om de husky’s puur te houden, de andere helft denkt dat hij zijn honden in gevaar brengt omdat ze zijn vastgebonden en een gemakkelijke prooi vormen voor de ijsberen.”

Aaron en ik keken elkaar aan.

De CNSC, gevestigd in wat één van ’s werelds meest afgelegen kantoorgebouwen op het vasteland moest zijn, met een hellende voorgevel om de beren ervan af te houden, was een faciliteit waar schoolgroepen en onderzoekers vanuit de hele wereld naar toe kwamen om te werken aan wetenschappelijke projecten. Zoals de jongedame die op de eerste etage voor haar PhD een nieuwe methode aan het ontwerpen was om de waterstand en -kwaliteit te meten in relatie tot de globale opwarming. Parks Canada zou de nieuwe methode vervolgens gaan gebruiken bij het beheer van het nabijgelegen Wapusk National Park.

Op deze manier ging Churchill met de tijd mee: hier, binnen, droeg nieuw onderzoek bij aan de wetenschappelijke vooruitgang; daar, buiten, stond de Churchill Rocket Research Range als een overblijfsel van haar wetenschappelijke verleden. De wegrottende lanceerinstallatie bestond uit een open silo op het dak van een gigantische kubus waar ooit de raketvlammen in verdwenen. Rotsblokken waren tegen de deuren geplaatst en vensters waren dichtgetimmerd. We keerden om en reden langzaam terug naar het dorp – en weer zonder resultaat.

“Moet je dat zien!” riep Aaron.

“Een neergestort vliegtuig!”

Het toestel, ‘Miss Piggy’ genaamd, lag op een rotspartij naast de weg. De metaalgrijze kleur van het toestel ging perfect op in de grijze omgeving. We parkeerden de auto en bekeken dit bizarre object van dichtbij. De Curtis C-46 was in 1979 neergestort op de rotsen tussen de kust en het vliegveld. Het was nooit verwijderd. Dat gold ook voor andere restanten: verlaten schuren, achtergelaten sneeuwscooters, quads en auto’s, tonnen, stapels oud ijzer en hout, de MV Ithaca (een vrachtschip uit 1922 dat tijdens een storm in 1960 op de klippen was gelopen, een gestrand, wegroestend gedrocht) en een verlaten radarstation met twee radarkoepels in de vorm van golfballen.

Bij Cape Marry Battery, waar de Churchillrivier uitmondde in de Hudsonbaai, brachten we een tijdje door op de rotsen langs de kust, starend naar de witte ruggen van beloegawalvissen die uit het koude en donkere water aan de oppervlakte kwamen. Een zeehond zwom voorbij – zijn hoofd stak als een vette periscoop uit het water. En later, langs Hydro Road, maakte ik een foto van een indrukwekkende zeearend – nét op het moment dat hij opsteeg van een boom, zodat zijn hele spanwijdte diagonaal op de foto kwam.

Ieder dier was prachtig, een bonus zelfs, maar geen van hen was de jackpot. Ik dacht: Als ik in Churchill geen beer zie, heeft het dan nog wel zin om in Patagonië pinguïns te gaan bekijken? Het één hing met het ander samen.

Aaron was na zeven uur in de passagiersstoel steeds meer gaan dagdromen. Ik suggereerde om nog één keer naar de honden te rijden. Men beweerde immers dat die de ijsberen aantrokken. Aaron haalde zijn schouders op en knikte. “Sure.

“Laten we daar de auto parkeren,” zei ik, “en gewoon afwachten.”

“We kunnen het proberen,” mompelde hij.

We reden terug naar de honden en vervolgens naar het einde van het stuiterweggetje.

Ik stapte uit en stond in de wind, de noordenwind, die er altijd leek te zijn, te staren naar de rotsen achter ons en het strand voor ons. Het was ontmoedigend stil. Aaron zat in de auto, zijn hoofd leunend op zijn hand, een verveelde blik op zijn gezicht. De lucht werd paars, de zon ging onder. Ik overwoog om de auto nog een dag te huren en het morgen opnieuw te proberen. Een groot wit dier kwam, op 200 meter afstand, achter een rots vandaan gesjokt.

“Ja! Ja!” schreeuwde Aaron, en hij sprong als een dolblij kind uit de auto. Hij kwam naar me toe gerend. “Zie je dat?”

“Ja,” fluisterde ik, volledig onder de indruk van het grote dier – de kracht, de rustige uitstraling en vooral de volstrekt willekeurige verschijning aan het einde van deze heel lange dag.

That’s a fucking polar bear!” riep Aaron.

Het beest rook of hoorde ons blijkbaar niet. Het ging rustig liggen op een beschutte plek, weg uit die wind, de noordenwind.

Ik knikte en lachte van geluk. “Yes, that’s a fucking polar bear.


Je las zojuist het eerste hoofdstuk van mijn nieuwe boek In de Amerika’s: Van de ijsberen naar de pinguïns… met de bus! Benieuwd geworden naar de rest van dit avontuurlijke reisverhaal? Tuurlijk! Zo kom ook jij in het bezit van het nieuwste reisboek:

Via Kindle (e-boek op Amazon.nl) kost het maar €2,99!

Via Kobo (e-boek via Kobo/Bol.com) kost het ook maar €2,99!

Een paperback via Amazon.de kost maar €10!

Een kwaliteitsexemplaar via je boekhandel kost €20!

Wil je eerst nog weten wat het avontuur nog meer brengt? Hier volgt de samenvatting:

In het noorden van Noord-Amerika leven de ijsberen; in het zuiden van Zuid-Amerika de pinguïns. Jeroen Vogel besluit met het openbaar vervoer van de ene diersoort naar de andere te reizen, dwars door de beide Amerika’s. En omdat er ten zuiden van Mexico nog nauwelijks treinen rijden, betekent dit vooral veel, héél veel busritten.

Vanuit het Canadese Churchill (de ‘IJsbeerhoofdstad van de Wereld’) gaat de reis via de Verenigde Staten naar Mexico, waar hij door een naderende orkaan vast komt te zitten en een hotelkamer deelt met een drugssmokkelaar. In Honduras moet hij een grenswachter omkopen voordat hij het land mag verlaten, en in Panama reist hij in de voetsporen van de legendarische reisschrijver Paul Theroux langs het Panamakanaal. Via landen als Colombia, Ecuador, Peru en Bolivia bereikt hij het noorden van Chili, waar zijn weerzin tegen de krappe en dampende bussen inmiddels zodanig groot is geworden, dat liften door de gortdroge en snikhete Atacamawoestijn plotseling een heel aanlokkelijk alternatief lijkt.

In dit heerlijke reisboek vol kleurrijke karakters doet Jeroen Vogel op humoristische wijze verslag van zijn meest avontuurlijke reis tot nu toe.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s