In Banff: Nachtdienst

Natúúrlijk haatte ik het, zoals ik de verslaving altijd heb gehaat, en plotseling, in een vlaag van woede om die zwakte, pakte ik mijn pakje sigaretten en aansteker en wierp ze in een prullenbak nabij het Banff Park Museum. Impulsief, ja, maar je moet elke verslaving toch eens stopzetten. Deze avond voelde om ondefinieerbare redenen als een perfect moment om te stoppen met roken. Maar was het wel de juiste avond ervoor? Doorgaan met het lezen van “In Banff: Nachtdienst”

In Banff: Hoteldienst met Archibald

Ik heb twee jaar lang in een hotel in Banff gewerkt. Eén van mijn collega’s was Archibald, een Engelsman van 26 jaar oud. Hij was lang, sprak gearticuleerd en beleefd, klonk professioneel en correct, en kon zijn soms sterke meningen staven met argumenten. Hij kwam daarbij zeer overtuigend over en tilde regelmatig, als hij een punt wilde maken, één wenkbrauw op, hield zijn hoofd lichtjes schuin en toonde een nogal geniepige glimlach om zijn soms sarcastische houding te onderstrepen. Hij trok dingen in twijfel en was eigenwijs. Er waren veel dingen waar we het over eens waren en veel dingen waar we het niet over eens waren. Onze discussies waren vriendelijk maar scherp. Het was wat dat betreft jammer dat ik deze week alleen vanmiddag nog een avonddienst draaide met Archibald en daarna weer zou opschuiven naar de saaie nachtdiensten, die ik in mijn eentje draaide. Doorgaan met het lezen van “In Banff: Hoteldienst met Archibald”

In Amsterdam: Het spookhostel

In 2009 werkte ik voor de Stayokay-hostels Vondelpark en Stadsdoelen, dat aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal gevestigd zit. dit hostel (en de vestiging aan het Vondelpark) en op een dag vroeg de general manager aan me of ik er tijdens de wintersluiting vier maanden lang zou willen wonen om zo te voldoen aan een eis van de brandweer. Een betrekkelijke periode, maar het verloste me wel van de zolderkamer die ik voor €400 per maand van een gescheiden fabrieksarbeider in Nieuw-Vennep huurde. Hoe gastvrij de man het ook maakte, zo’n maandelijks bedrag op een horecasalaris, de slechte late-avond-verbinding per trein of bus met het centrum van Amsterdam, de huilende kinderen elke zondagmiddag in de woonkamer als ze na een weekend vol gezelligheid terug naar mama moesten en de toch wat gekunstelde verstandhouding tussen huurder en verhuurder waren tezamen genomen reden genoeg om te kiezen voor een gratis verblijf in een gesloten hostel in hartje Amsterdam. Doorgaan met het lezen van “In Amsterdam: Het spookhostel”

Nu nog even geduld, aub – maar straks valt hier van alles te beleven!

Hallo, beste (armstoel-)reiziger!

Er gebeurt hier nog niet veel.

Ja, hieronder staan wel wat blogs, maar die zijn min of meer incidenteel geplaatst.

Gaat het dan nog wat worden met deze site? En zo ja, wat gaat er allemaal gebeuren?

Van alles, maar ik zal me eerst even voorstellen.

Mijn naam is Jeroen Vogel. Ik probeer als zelf-publicerend reisschrijver een naam voor mezelf op te bouwen. Dat klinkt niet erg stoer, mensen die pogen iets te doen, maar het is op dit moment wat het is. Omdat ik een gezonde hekel aan marketing heb, ga ik de bezoekers aan deze website niet confronteren met smeekbedes (je weet wel, zo’n berichtje dat op een gegeven moment op het scherm verschijnt, over het artikel heen dat je aan het lezen bent) om zich in te schrijven voor een nieuwsbrief of me alsjeblieft te volgen op sociale media. Ik heb wel bijbehorende pagina’s op Facebook en Twitter, maar die liggen op dit moment nog stiller dan deze website. Een nieuwsbrief heb ik nog niet eens opgezet, en ik weet eerlijk gezegd niet of het daar ooit van komt.

Wat ik wél aan het doen ben, is het schrijven van boeken. Ik wil er prachtige producten van maken, die op verschillende manieren verkrijgbaar zijn: gedrukt via de boekhandel en via Amazon (meer dan twee keer zo goedkoop!), als e-boeken en als boekazines. Het kost heel veel tijd om dit goed in elkaar te zetten. Vanwege die benodigde naamsbekendheid moeten het eenduidige en dus herkenbare producten zijn – schrijfstijl, ontwerp, inhoud – terwijl elk reisverhaal weer een compleet andere beleving is. Dat is, zoals je kunt begrijpen, een beste uitdaging.

Hier is een greep uit de boeken die ik nu aan het maken ben:

In de Amerika’s: Van de ijsberen naar de pinguïns… met de bus! is een avontuurlijk reisverhaal waarin ik met het openbaar vervoer van de ijsberen in het Canadese Churchill per trein en bus naar de pinguïns in Chili (en verder naar Ushuaia) reis.

In Banff: Alles over Canada’s eerste nationaal park is van een geheel andere orde: dit is een veel kleiner boekje waarin het ontstaansverhaal en de toeristische attracties van Banff National Park worden belicht.

In Groot-Brittannië: Het lange pad naar Cape Wrath vertelt het verhaal van mijn wandeltocht van Bognor Regis aan het Engelse Kanaal naar Cape Wrath in het uiterste noorden van Schotland. Ik had dit gebaseerd op het boek The Road to Little Dribbling van Bill Bryson, die daarin een lijn trok tussen beide plaatsen en meldde dat dit de langste lijn was die je in Groot-Brittannië kunt afleggen zonder zout water te kruisen. Dat is niet helemaal waar, maar ik bleek de eerste te zijn die er een wandeltocht aan wijdde – met goedkeuring van Bill Bryson zelf.

Zodra deze en de andere projecten in de volgende stadia zijn, komt er meer tijd vrij voor deze website (en weer later – stap voor stap – ook voor het Engelstalige zusje writingtraveller.com). Ik wil me dan voornamelijk gaan richten op korte “In …”-verhalen, waarin steden of gebieden worden belicht; met de interviewserie “Reizende Nederlanders” heb ik leuke plannen om het veelzijdiger te maken (naast backpackers ook uitwisselingsstudenten, beroepsmatige reizigers (Defensie-personeel, journalisten, diplomaten, enz.); incidentele (reis)artikelen die niet gebonden zijn aan een bepaalde plaats of persoonlijk interview.

Dit komt later in 2019 van de grond. Echt. Maar excuseer me nu, alsjeblieft, ik heb nog wat boeken bij te schaven.

–Jeroen Vogel

In Zaanse Schans: Een efficiënte kennismaking met Nederland

Buitenlandse bezoekers aan Nederland blijven graag in Amsterdam. Logisch: er is genoeg te doen in de stad, zo’n onbekend treinsysteem met vreemde kaartjes en zonder lijnnummers is maar lastig, de meeste bezoekers hebben maar een paar dagen. Toch maken ze voor de Zaanse Schans, het woonbuurtje met oude houten huisjes en oer-Hollandse molens, graag een uitzondering. Ze zijn helemaal aangenaam verrast als ze wordt verteld hoe dicht de Zaanse Schans bij Amsterdam ligt: 12 minuten per trein vanaf station Amsterdam Sloterdijk.

Na die 12 minuten – Nederland is zó klein – komt de trein aan op station Zaandijk Zaanse Schans. Maar op deze miezerige dag stapten we – oudere stelletjes met bungelende fotocamera’s, gezinnen (ik hoorde Spaans en Italiaans) en een enkele jongere – niet uit naast het visuele spektakel waar we voor gekomen waren.

Het station ligt aan de oude dorpsrand van Zaandijk; de Zaanse Schans is nog een kleine tien minuten lopen. Voorheen heette het station Koog-Zaandijk, maar de gemeente Zaanstad wilde het vervangen om duidelijkheid te verschaffen: drie opeenvolgende stations met ‘Zaan’ in de naam werkte alleen maar verwarrend. Klinkt logisch, maar toch heeft de gemeente nog zestien jaar moeten wachten voordat NS aan de wens gehoor gaf – het wijzigen van een (op een maand na) 150 jaar oude stationsnaam loopt aardig in de papieren.

De meesten keken zoekend om zich heen. Niet dat het moeilijk was om de uitgang te vinden: dat kon alleen via het tunneltje. En toen wees het zich al vanzelf: onderaan de trap sloeg iedereen links af. Sommige toeristen vonden al snel de (uitstekende) bewegwijzering, die hen via de grote wegen buitenom leidde. Maar de meesten volgden de aanwijzingen van Google Maps door een straat met aan de linkerkant een cacaofabriek en aan de rechterkant woonhuizen. De bewegwijzering was juist ontworpen om deze straat te ontdoen van massa’s toeristen – de Zaanse Schans ontvangt jaarlijks 2,2 miljoen bezoekers (2017) –, maar het leek erop dat het idealisme was ingehaald door de technologische vooruitgang: welke smartphone-gebruiker keek überhaupt nog naar bordjes? Google weet toch alles?

De ietwat beklemmende geur van de cacaofabriek dreef boven de straat. Aan het einde sloeg ik linksaf een oude dorpsstraat in, parallel aan de rivier de Zaan. Nabij de Julianabrug, die het dorp met de Zaanse Schans verbond, begonnen de eerste bedrijven die op het massatoerisme inspeelden, al op te duiken: souvenirwinkeltjes (chocolade!) en Ristorante Il Mulino, voor wie een Italiaanse maaltijd wil nuttigen met Hollands uitzicht – de donkere rivier, de meanderende rij molens, het vlakke land erachter.

Ik stak de Julianabrug over, de fotograferende toeristen passerend, en liep via een trap het talud af, de Zaanse Schans op. Dit was de “onofficiële” toegang tot het gebied – de echte bevond zich aan de andere zijde bij het parkeerterrein.

Ondanks het miezerweer en het feit dat dit het laagseizoen was, waren er behoorlijk wat toeristen op de been. Het eerste dat mij als Nederlander opviel, was dat de toeristen niet op een voetpad, maar op een fietspad liepen. Het werd gebruikt door scholieren, die steeds weer moesten inhouden en bellen en slalommen. Net zoals op de Amsterdamse Wallen, waar toeristen zich de rijbaan hebben toegeëigend en fietsers als een soort kamikazepiloten op hen inrijden, zagen de buitenlandse bezoekers het verschil niet.

Voor Nederlanders is de Zaanse Schans zoiets als de Eiffeltoren voor de Parijzenaar: leuk, maar het zal wel. Voor buitenlanders is het echter een bijzonder efficiënte kennismaking met de exotische elementen van een cultuur dat is ontstaan uit een getemd landschap – de molens, de kaasmakerij, de klompenmaker, al het Delfts Blauw verkrijgbaar in de souvenirwinkels, de kronkelende rivier, het vlakke land vol groen. En het is (héél on-Hollands) gratis toegankelijk is: het is nadrukkelijk géén openluchtmuseum, het is een woonbuurt. Of liever: een reservaat van verplaatste monumenten.

Alle gebouwen komen uit de Zaanstreek. Een groot pand als restaurant De Hoop op d’Swarte Walvis, een voormalig weeshuis, werd steen voor steen afgebroken en weer opgebouwd. Kleinere huisjes en molenlijven werden, soms compleet, vanaf 1959 per boot of vrachtwagen naar deze locatie gebracht. Het was het antwoord van architect Jaap Schipper op de langzame verdwijning van historisch erfgoed uit de Zaanstreek, waar de dorpsstraten evengoed nog vele typische houten huisjes met groen geverfde gevels vertonen.

Er werd een buurtje geschapen dat de sfeer van 1850 uitstraalt en waar veel bedrijvigheid heerst – de molens draaien en maken hun producten, er wordt kaas gemaakt, er wordt gewoond, er worden klompen uitgesneden. Zo wordt het behoud van cultureel erfgoed professioneel uitgebaat met de toeristen als zeer lucratieve afzetmarkt. Maar het moet vreselijk zijn om er te wonen – hoe vaak zal het voorkomen dat een nieuwsgierige bezoeker zijn neus tegen het ruit van een huis drukt, net als de bewoner in een intieme pose verkeert met zijn vrouw? Je kunt net zo goed je intrek nemen in een vissenkom.

Voor de discrete bezoeker is er gelukkig een goedkope manier om een Zaans huisje aan de binnenkant te bekijken. Pal bij de Julianabrug bevindt zich in één van de eerste huisjes het Museum van het Nederlandse Uurwerk. Behalve een indrukwekkende collectie klokken is het authentieke houten binnenwerk van het huisje ook het bekijken waard.

Maar de echte trekpleister is de molens. Er staan er acht, verspreid over de Kalverringdijk langs de meanderende Zaan. Het zicht alleen al is prachtig, maar natuurlijk zijn de meeste molens ook opengesteld. Sommige vragen een paar euro entree, andere dekken de kosten met de verkoop van producten.

Ik betrad specerijmolen de Huisman (inderdaad, omdat er geen toegangsgeld werd gevraagd). M’n oog viel op het eenvoudige doch vernuftige binnenwerk – de malende kantstenen – en m’n neusgaten vulden zich met de indringende lucht van kaneel en mosterd. Een medewerker stond één en ander uit te leggen aan bezoekers en in de winkel ontdekte ik dat de prijzen ook goed gekruid waren. Maar ja: het is vraag en aanbod, en in dit geval diende het een goed doel. Door de houten glasroede zag ik een ouder echtpaar op de Kalverringdijk poseren met de molens op de achtergrond – het ultieme souvenir tijdens de vakantie aan Nederland.

Buiten liep er een schoolklas voorbij onder begeleiding van een gids met een rood parapluutje – ingeklapt, want het miezerde niet meer. Ik liep kaasboerderij de Catharina Hoeve in, maar volgens mij was het de verkeerde deur: via de winkel, in plaats van de kaasmakerij, en je mocht niet van de winkel de kaasmakerij in lopen. Dan niet. In de winkel verbaasde ik me over de hoeveelheden toeristen die zich vergaapten aan de kaasproducten en andere Hollandsche producten – vele, vele stroopwafels gingen er over de toonbank.

Niet veel verder bevond zich de echte – officiële – ingang van de Zaanse Schans, aan de zijde van het parkeerterrein. Bezoekers die met de auto of de bus kwamen – vaak een excursie in combinatie met een bezoekje aan Volendam of de bloembollenvelden – liepen hier over een bruggetje waarop een fotograaf stond die hun foto nam. Bij vertrek kon je de afgedrukte foto dan vinden aan een houten wand onder een afdakje. Ik stond op het pleintje dat tussen de brug en drie souvenirwinkels werd ingeklemd. Dit was waar de meeste bezoekers voor het eerst kennismaakten met de Zaanse Schans – en als de ‘Schans’ inderdaad een woonbuurtje is, dan was dit het buurtplein, maar wel eentje waar de bewoner weinig te zoeken had; het was eerder de entree van een pretpark.

Ik liep alle drie de winkels in. In de grootste lag de nadruk op kleding, in de Saense Lelie leek het assortiment Delfts Blauw (dat hier ook werd vervaardigd) extra uitgebreid en in het kleine souvenirwinkeltje, naast de toiletten, sprongen vooral de vele ansichtkaarten in het oog – niet dat je hier geen stroopwafels of Delfts Blauw kon krijgen, natuurlijk.

Langs een restaurant waar de Hollandse pannenkoek werd aangeprezen, maakte ik het rondje af. Via een schelpenpaadje tussen kleine weilandjes, die her en der werden geflankeerd door kleine Zaanse huisjes met tuinen, en langs een kuiperij – waar de tonnetjes langs de lengte van het geteerde, houten gebouw lagen – vond ik weer mijn weg naar de Julianabrug. Er stonden weer andere toeristen foto’s te nemen van de molens langs de Zaan. En op het station Zaandijk Zaanse Schans stapten weer nieuwe hordes bezoekers uit die met vragende blikken naar het kaartje op hun smartphones staarden, alvorens ze in het tunneltje afdaalden en linksaf sloegen.

“In Australië” is op Amazon.de helft goedkoper – en nieuws over komende projecten

Ik geef mijn boeken via verschillende platforms uit – Kindle en Kobo, bijvoorbeeld – en dat leidt tot een heel scheve prijsverhouding voor hetzelfde boek. Zo kost In Australië op Bol.com maar liefst €24,68 en op Amazon.de (waar de Nederlandse winkel op draait) €13,12 – en in allebei de gevallen wordt het boek binnen enkele dagen verstuurd, gratis. Doorgaan met het lezen van ““In Australië” is op Amazon.de helft goedkoper – en nieuws over komende projecten”